Officiele publicatie

Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2015

Het Algemeen Bestuur van Pentasz,

gelet op de artikelen 6, 7, 8a, 9, 9a, 10, 10a, 10b, 10c, 10d, 10da en 10f van de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;

overwegende dat:

  • per 1 januari 2015 de Participatiewet in werking treedt, waarmee de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening en een deel van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten worden samengevoegd;
  • met de komst van de Participatiewet de burger voorop staat en dat hij/zij werkt naar vermogen bij voorkeur bij reguliere werkgevers;
  • daarbij de eigen verantwoordelijkheid van mensen centraal staat en van hen wordt gevraagd dat ze vooral zelf op zoek gaan naar werk,
  • hierbij wordt aangesloten op het reguliere proces van de (eu)regionale arbeidsmarkt.
  • wanneer het burgers niet lukt om zelf werk te vinden de gemeente faciliterend optreedt en daartoe integrale dienstverlening biedt, die maatwerk levert toegesneden op de mogelijkheden van de burger en
  • hierbij de route diagnose-plaatsing-ontwikkeling leidend is.

Besluit

vast te stellen: de ‘Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2015’

Artikel 1. Begrippen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.
    Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet;
  • b.
    Grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;
  • c.
    Korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;
  • d.
    Wet: Participatiewet.
  • e.
    Voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a Participatiewet, deze verordening en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten.
  • f.
    Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur van Pentasz Mergelland.
  • g.
    Gemeenten: de zes gemeenten in Maastricht-Heuvelland, te weten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Maastricht, Meerssen, Vaals en Valkenburg aan de Geul.
  • h.
    Uitvoeringsbesluit: een besluit van het Dagelijks Bestuur waarbij nadere regels worden gesteld over de invulling van voorzieningen.

Artikel 2. Evenwichtige verdeling

1.

Het Dagelijks Bestuur kan de voorzieningen aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep, die een grote of een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Het Dagelijks Bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels omtrent welke personen onder welke voorwaarden voor voorzieningen in het kader van re-integratie in aanmerking komen. Het college stelt daarbij regels voor specifieke groepen.

2.

Het Dagelijks Bestuur houdt bij het aanbieden van de in deze verordening en in uitvoeringsbesluiten opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij/zij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

  • a.
    de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en
  • b.
    de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.
3.

Het Dagelijks Bestuur biedt bij de toepassing van lid 1 en 2 maatwerk.

Artikel 3. Subsidie- en budgetplafonds

Het Dagelijks Bestuur kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende activiteiten waarvoor op grond van deze verordening en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten subsidie kan worden verstrekt dan wel voorzieningen kunnen worden aangeboden. Het Dagelijks Bestuur bepaalt daarbij hoe de beschikbare bedragen worden verdeeld.

Artikel 4. Voorzieningen

1.

Ter nadere uitvoering van deze verordening wordt een beleidsplan vastgesteld waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het Dagelijks Bestuur in ieder geval kan aanbieden.

2.

Het Dagelijks Bestuur kan de volgende voorzieningen aanbieden:

  • a.
    diagnose,
  • b.
    werkgeversdienstverlening,
  • c.
    gesubsidieerde arbeid, waaronder de loonkostensubsidie ex artikel 10d Participatiewet,
  • d.
    werken met behoud van uitkering,
  • e.
    beschut werk nieuwe stijl,
  • f.
    (arbeidsmatige) dagbesteding,
  • g.
    scholing, waaronder in ieder geval de scholing als bedoeld in artikel 10a Participatiewet,
  • h.
    no risk polis,
  • i.
    jobcoaching,
  • j.
    premies, waaronder in ieder geval de premie als bedoeld in artikel 10a Participatiewet,
  • k.
    onkostenvergoedingen,
  • l.
    ondersteuning bij leerwerk-trajecten en
  • m.
    andere door het college noodzakelijk geachte voorzieningen om de doelstelling van de wet en het beleid van de gemeente te realiseren.
3.

Het Dagelijks Bestuur stelt bij Uitvoeringsbesluit nadere regels over de voorzieningen bedoeld in lid 2 en bepaalt daarin de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

4.

Het Dagelijks Bestuur kan een voorziening beëindigen als:

  • a.
    de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt;
  • b.
    de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;
  • c.
    de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
  • d.
    naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;
  • e.
    de voorziening naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;
  • f.
    de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;
  • g.
    de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
5.

De informatie die door de doelgroep aan het Dagelijks Bestuur wordt verstrekt ter uitvoering van de verordening, de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten en het beleidsplan, kan in het kader van de uitvoering van alle regelingen binnen het Sociaal Domein worden gebruikt.

Artikel 5. Tegenprestatie

Het Dagelijks Bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit nadere regels over het opleggen van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Artikel 6. Toezicht en informatieplicht

Het Dagelijks Bestuur kan personen aanwijzen, die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten én de verplichtingen genoemd in de Awb.

Aan subsidies op grond van deze verordening en de daarop gebaseerde besluiten is de verplichting verbonden, dat de subsidie-ontvanger aan een toezichthouder alle medewerking verleent, die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

Artikel 7. Meldingsplicht bij gewijzigde omstandigheden

De subsidie-ontvanger doet onmiddellijk schriftelijk mededeling aan het Dagelijks Bestuur van alle feiten en omstandigheden, die van belang zijn voor de beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie.

Artikel 8. Bewaarplicht

De subsidie-ontvanger bewaart alle bewijsstukken, die aan de subsidieverstrekking ten grondslag liggen, gedurende de in de toekenningsbeschikking bepaalde termijn. De bewijsstukken dienen tenminste gedurende drie jaar na de vaststelling van de subsidie te worden bewaard. Alle bewijsstukken dienen op verzoek ter beschikking voor controledoeleinden te worden gesteld.

Artikel 9. Zaken waarin de verordening niet voorziet

In alle gevallen waarin deze verordening en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten niet voorziet, beslist het Dagelijks Bestuur.

Artikel 10. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt inwerking op 1 januari 2015 en geldt voor alle gevallen waarvoor vanaf die datum voorzieningen worden aangeboden als bedoeld in artikel 4 van deze verordening.

Artikel 11. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

1.

De Reïntegratieverordening wordt ingetrokken.

2.

Op voorzieningen en subsidies die zijn verstrekt voor de inwerkingtredingsdatum van deze verordening en die zijn gebaseerd op de vorige Reïntegratieverordening, blijft deze verordening van toepassing. Bij uitvoeringsbesluit dan wel bij afzonderlijk besluit van het Dagelijks Bestuur kan afwijkend worden bepaald.

Artikel 12. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening re-integratie en tegenprestatie Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2015’.

Aldus besloten door het Algemeen Bestuur van Pentasz in zijn openbare vergadering van 10 december 2014. J.L.H.J. Saes,
Secretaris.
J-P Kompier
Voorzitter

Toelichting

Algemeen

Er is gekozen voor een algemene, kader stellende verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die het Algemeen Bestuur van Pentasz heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het Dagelijks Bestuur de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het Dagelijks Bestuur noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het Dagelijks Bestuur in ieder geval kan aanbieden en daarnaast het college mandaat te verlenen om bij uitvoeringsbesluiten nadere regels te stellen.

Met ingang van 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking. De Participatiewet voegt de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en een deel van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) samen. De Participatiewet moet mensen die nu nog aan de kant staan, meer kansen geven om naar vermogen in hun eigen levensonderhoud te voorzien en wanneer dat (nog) niet lukt om naar vermogen mee te doen aan de samenleving. Tegelijk met het inwerking treden van de Participatiewet worden er wijzigingen in de Wet werk en bijstand (WWB) ingevoerd om de bijstand activerender en (financieel) houdbaar te houden. Deze wijzigingen hebben onder andere betrekking op het maatregelenregime bij het niet nakomen van verplichtingen. Bovendien wordt van iedereen die een uitkering ontvangt, verwacht dat er een zogenaamde tegenprestatie naar vermogen wordt geleverd.

De Participatiewet is één van de drie decentralisaties, naast de overdracht van de taken Jeugdzorg en Wmo2015 naar de gemeenten. De decentralisaties hebben voor een deel overlap in de doelgroep. Vanuit alle drie de domeinen wordt gewerkt aan het realiseren van gezonde en zelfredzame burgers die meedoen in de samenleving. De leidende principes hierbij zijn de vier dimensies zoals benoemd in het Beleidskader Participatiewet, te weten ‘inzet burgerkracht’, ‘eigen kracht versterken’, ‘actief helpen’ en ‘regie (deels) overnemen’.

Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat het Beleidsplan Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2015 onlosmakelijk deel uitmaakt van de onderhavige verordening.

Artikelsgewijze toelichting

Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

Artikel 1. Begrippen

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

Doelgroep

De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:

  • personen die algemene bijstand ontvangen;
  • personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;
  • personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;
  • personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);
  • personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW);
  • personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ);
  • niet-uitkeringsgerechtigden en
  • personen die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het Dagelijks Bestuur aangeboden voorziening.

Korte afstand tot de arbeidsmarkt

Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening.

Grote afstand tot de arbeidsmarkt

Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening.

Voorzieningen

Het begrip voorzieningen ziet op de voorzieningen zoals deze in artikel 7 lid 1 sub a Participatiewet worden genoemd. Het gaat om een breed scala van instrumenten gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering, die de gemeenten kunnen inzetten. Het gaat om de nieuwe instrumenten loonkostensubsidie, beschut werk nieuw, no riskpolis, jobcoaching, maar ook om alle huidige instrumenten zoals begeleiding, scholing, premies, gesubsidieerde arbeid, etc.. ten aanzien van beschut werk nieuw wordt nog opgemerkt, dat de gemeenten nog een besluit moeten nemen of zij dit instrument in deze vorm wensen in te zetten. Naar verwachting wordt hiervoor een alternatief ontwikkeld.

Artikel 2. Evenwichtige verdeling

Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad (lees Algemeen Bestuur Pentasz) in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen aangeven, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat het Algmeen Bestuur Pentasz ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.

In dit artikel is bepaald dat het Dagelijks Bestuur de voorzieningen kan aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep, die een grote en een korte afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Het Dagelijks Bestuur stelt bij Uitvoeringsbesluit nadere regels omtrent welke personen onder welke voorwaarden voor voorzieningen in het kader van re-integratie in aanmerking komen. Het Dagelijks Bestuur stelt daarbij regels voor specifieke groepen.

Het Dagelijks Bestuur houdt bij het aanbieden van de in deze verordening en in de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

  • a.
    de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en
  • b.
    de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

Het Dagelijks Bestuur biedt bij de toepassing van lid 1 en 2 maatwerk.

Artikel 3. Subsidie en budgetplafonds

Door een subsidieplafond aan te brengen in de regeling wordt bewerkstelligd, dat de aanspraken op subsidies worden beperkt tot een bepaald bedrag. Hiermee wordt een open-einde financiering voorkomen. Overschrijding van het budget is op zichzelf geen harde weigeringsgrond. Het enkele feit, dat een begrotingspost is uitgeput, is onvoldoende reden om een subsidie te weigeren. Dit probleem wordt opgelost door een subsidieplafond vast te stellen. Ex artikel 4:25 lid 2 Awb dienen subsidie-aanvragen te worden afgewezen als de verstrekking zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond.

Hier wordt de term subsidies geïntroduceerd aangezien voorzieningen in de vorm van subsidies kunnen worden toegekend. Denk hierbij aan de loonkostensubsidie. Dat is ook de reden waarom de artikelen 6, 7 en 8 zijn opgenomen in de verordening.

Voorzieningen in natura en toeleidingstrajecten zijn geen subsidies in de zin van de Awb en vallen dus evenmin onder het subsidieplafond. Teneinde ook ten aanzien van deze voorzieningen een open-einde financiering te voorkomen, is tevens in de mogelijkheid van een budgetplafond voorzien.

Subsidie- en budgetplafond zijn gelijk aan het bedrag, dat op de begroting voor de desbetreffende taak is gereserveerd. Het vaststellen van het betreffende plafond is daarmee een louter administratieve aangelegenheid.

Het subsidie-plafond dient vóór het begin van de periode waarvoor het geldt te worden bekendgemaakt (artikel 4:27 lid 1 Awb). Ex artikel 4:34 lid 1 Awb kan een subsidie worden verleend ten laste van een begroting, die nog niet is goedgekeurd of vastgesteld onder de voorwaarde, dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld (het zogenaamde begrotingsvoorbehoud). Dit is voor de subsidies die in 2015 worden verstrekt van groot belang, aangezien de betreffende begroting(spost) nog niet meteen zal zijn goedgekeurd c.q. vastgesteld.

Artikel 4. Voorzieningen

De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het Dagelijks Bestuur aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt. Of dit daadwerkelijk ook het geval is, zal nog nader worden bezien.

In lid 2 is een opsomming opgenomen van de voorzieningen (waaronder subsidies) die kunnen worden aangeboden. Deze is niet limitatief. Via sub m kan het college nadere door haar noodzakelijk geachte voorzieningen inzetten. Het Algemeen Bestuur geeft het Dagelijks Bestuur het mandaat om bij uitvoeringsbesluit nader regels te stellen aan de voorzieningen. In dat besluit bepaalt het Dagelijks Bestuur ook de voorwaarden (doelgroep, omvang, duur, etc.) die gelden voor een voorziening.

Lid 4 geeft aan dat het Dagelijks Bestuur een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen.

Het Dagelijks Bestuur kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 4, vierde lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c alsmede 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het Dagelijks Bestuur ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt.

De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.

De bepaling van lid 5 van dit artikel (dat de informatie die door de doelgroep aan het Dagelijks Bestuur wordt verstrekt ter uitvoering van de verordening, de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten en het beleidsplan, in het kader van de uitvoering van alle regelingen binnen het Sociaal Domein kan worden gebruikt), is opgenomen om de informatie-uitwisseling tussen de diverse uitvoerders binnen het sociaal domein mogelijk te maken. In de diverse gehanteerde modelformulieren zullen passages worden opgenomen waarmee de doelgroep instemt met deze informatie-uitwisseling.

Artikel 5. Tegenprestatie

In de wet is bepaald dat de raad (lees Algemeen Bestuur Pentasz) regels stelt bij verordening over de tegenprestatie. Tegenprestatie is uitdrukkelijk geen re-integratie, aldus de wet. Het is derhalve geen voorziening zoals bedoeld in artikel 4 van deze verordening. Het Algemeen Bestuur mandateert het Dagelijks Bestuur om bij Uitvoeringsbesluit nadere regels te stellen over het opleggen van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Aangezien de voorzieningen in de vorm van subsidies verstrekt kunnen worden dienen enkele bepalingen aangaande subsidieverlening in de verordening te worden opgenomen. De artikel 6, 7 en 8 zien hierop.

Artikel 6. Toezicht en informatieplicht

Artikel 6 regelt het toezicht van de gemeente en de informatieplicht van de subsidie-ontvanger in dit kader. De gemeente moet in casu op grond van artikel 5:11 Awb een toezichthouder aanwijzen voor de handhaving en het toezicht. In lid 2 is de medewerkingsplicht van de subsidie-ontvanger geregeld. Hiermee is verzekerd dat tegen niet-medewerking kan worden opgetreden door de subsidie lager vast te stellen (art. 4:48 Awb).

In artikel 5:11 e.v. Awb zijn de bevoegdheden van een toezichthouder vermeld (bijvoorbeeld de bevoegdheid om elke plaats te betreden behalve een woning zonder toestemming van de bewoner; artikel 5:15 Awb).

Artikel 7. Meldingsplicht bij gewijzigde omstandigheden

In dit artikel is de inlichtingenverplichting van de subsidie-ontvanger geregeld. Feiten en omstandigheden, die van belang kunnen zijn voor de subsidieverlening, -vaststelling, -wijziging c.q. -intrekking dienen meteen schriftelijk te worden gemeld.

Artikel 8. Bewaarplicht

Ten behoeve van met name controle-doeleinden dient de subsidie-ontvanger alle aan de subsidieverstrekking ten grondslag liggende bewijsstukken gedurende tenminste drie jaar te bewaren. Dit is de minimale termijn; bij de toekenningsbeschikking zal worden bepaald welke bewaartermijn geldt. Deze bepaling is opgenomen teneinde in voorkomende gevallen aan te sluiten bij de termijnen van externe financiers.

Artikel 9. Zaken waarin de verordening niet voorziet

Artikel 9 geeft een hardheidsclausule voor die gevallen waarin de verordening niet voorziet. In die gevallen waarin niet is voorzien dan wel waarin sprake is van klaarblijkelijke hardheid, neemt het Dagelijks Bestuur een beslissing.

Artikel 11. Overgangsrecht

Met dit artikel wordt de bestaande Reïntegratieverordening ingetrokken. Deze is uiteraard vanaf 2015 voor nieuwe situaties niet meer van toepassing. Op voorzieningen en subsidies die zijn verstrekt voor de inwerkingtredingsdatum van deze verordening en die zijn gebaseerd op de bestaande Re-integratieverordening blijft deze oude verordening wel van toepassing. Bij uitvoeringsbesluit dan wel bij afzonderlijk besluit van het Dagelijks Bestuur kan afwijkend worden bepaald.