Officiele publicatie

Verordening individuele studietoeslag Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2015

Het Algemeen Bestuur van Pentasz Mergelland,

  • gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;
  • het in werking treden van de Participatiewet.

Besluit:

vast te stellen: de Verordening individuele studietoeslag Participatiewet 2015.

Hoofdstuk 1: algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijving

1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.
    de wet: de Participatiewet
  • b.
    Dagelijks bestuur: het bestuursorgaan van Pentasz Mergelland welke bestaat uit de leden van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten
  • c.
    studietoeslag: de individuele studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van de Participatiewetpeildatum
2.

Zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW en IOAZ.

Artikel 2. Verlening studietoeslag

1.

Het Dagelijks Bestuur kan op aanvraag aan personen die voldoen aan het gestelde in 36b, eerste lid, van de wet, een individuele studietoeslag verlenen.

2.

Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend door middel van een door of namens het Dagelijks Bestuur vastgesteld formulier.

Artikel 3. Hoogte individuele studietoeslag

De individuele studietoeslag bedraagt een percentage van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor gehuwden conform artikel 21 onderdeel b van de wet. Dit percentage is voor personen tot 21 jaar 15%, bij 21 jaar 18%, bij 22 jaar 21% en vanaf 23 jaar 25%.

Artikel 4. Betaling individuele studietoeslag

Een individuele studietoeslag wordt per maand uitbetaald.

Artikel 5. Toekenning en beëindiging van de individuele studietoeslag

1.

De individuele studietoeslag wordt niet eerder toegekend dan vanaf de eerste dag van de maand waarop de aanvraag is ingediend voor de (resterende) duur van het school- of studiejaar.

2.

De individuele studietoeslag wordt tussentijds beëindigd zodra de studie wordt gestaakt of betrokkene niet langer voldoet aan het gestelde in art. 36b, eerste lid, onder b, van de wet.

Artikel 6. Nadere regels

Het Dagelijks Bestuur kan nadere regels stellen die betrekking hebben op:

  • a.
    De vaststelling van de doelgroep met name voor de toepassing van artikel 36b onderdeel d van de wet;
  • b.
    De wijze waarop ten aanzien van de doelgroep invulling wordt gegeven aan paragraaf 3.2 van de wet voor zover daarvan afgeweken wordt;
  • c.
    De wijze waarop ten aanzien van de doelgroep invulling wordt gegeven aan paragraaf 3.4 van de wet voor zover daarvan afgeweken wordt;
  • d.
    De verrekening van inkomsten en/of het stellen van een inkomstengrens.

Hoofdstuk 2: slotbepalingen

Artikel 7: Uitvoering

De uitvoering van deze verordening berust bij het Dagelijks Bestuur zoals vastgesteld in de gemeenschappelijke regeling regionale sociale dienst Pentasz Mergelland.

Artikel 8: Mandaatverlening

Het Dagelijks Bestuur is bevoegd tot het stellen van nadere regels, het stellen van beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften, met dien verstande dat deze regels c.q voorschriften conform de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften worden bekendgemaakt.

Artikel 9: Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule

1.

In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het Dagelijks Bestuur.

2.

Het Dagelijks Bestuur kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 10: Inwerkingtreding en Intrekking

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. De bestaande verordening Langdurigheidstoeslag Pentasz Mergelland 2013 e.v., vastgesteld op 2 december 2013, wordt per 1 januari 2015 ingetrokken.

Artikel 11: Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: de Verordening individuele studietoeslag Participatiewet 2015.

Aldus besloten door het Algemeen Bestuur van Pentasz Mergelland in haar vergadering van 10 december 2014.
De Secretaris,
J.L.H.J. Saes.
De Voorzitter,
J.P.M.H. Kompier.

Algemene toelichting

De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het Dagelijks Bestuur de mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen of bij wie een medische urenbeperking is geconstateerd, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft.

Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan (TK 2013–2014, 33 161, nr. 125, p. 2).

De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De individuele studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen of voor wie een medische urenbeperking geldt.

Verordeningsplicht

De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad (lees: het Algemeen Bestuur) de verplichting op in een verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag (artikel 8, derde lid, van de Participatiewet).

Discretionaire bevoegdheid

Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire bevoegdheid van het college (lees: het Dagelijks Bestuur). Dit betekent dat het Dagelijks Bestuur aan personen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, een individuele studietoeslag kan toekennen, maar hiertoe niet is gehouden. Het Dagelijks Bestuur kan – in aanvulling op artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet – in beleidsregels aangeven wie, wanneer en op grond van welke nadere voorwaarden recht heeft op een individuele studietoeslag.

De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de Participatiewet zijn niet van toepassing bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend bij het Dagelijks Bestuur. Een individuele studietoeslag kan niet als lening worden verstrekt als een persoon met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 van de Participatiewet is namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de Participatiewet). Ook artikel 52 van de Participatiewet is niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de Participatiewet). Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan worden verstrekt in de vorm van een voorschot.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begrippen

Deze spreken voor zich.

Artikel 2. Verlening studietoeslag

In het eerste lid wordt nog eens benadrukt dat een aanvrager op datum aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 36b, eerste lid van de Participatiewet. Eén van de voorwaarden is dat bij de aanvrager moet worden vastgesteld of hij arbeidsbeperkt is of dat bij hem sprake is van een medische urenbeperking. Dat laatste moet door het UWV worden bepaald. Wie moet vaststellen of een aanvrager arbeidsbeperkingen ondervindt, wordt via nadere regels bepaald. Het zal er waarschijnlijk op neerkomen dat dit hetzelfde orgaan is dat ook vaststelt of iemand die bijstand aanvraagt of ontvangt een arbeidsbeperking heeft.

Een andere voorwaarde is dat de aanvrager recht moet hebben op studiefinanciering of een Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Dit betekent niet dat de aanvrager ook daadwerkelijk studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de Participatiewet geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet. Voor het recht op een individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming. De persoon zal – als aanvrager van de toeslag – aannemelijk moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving bij een bepaalde opleiding te overleggen.

Om onduidelijkheid te voorkomen omtrent de wijze waarop het verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet moet worden ingediend, wordt in het derde lid bepaald dat dit moet worden gedaan door middel van een door of namens het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Vandaar ook dat in deze verordening het begrip ‘aanvraag’ wordt gehanteerd en niet ‘verzoek’. Het gaat dus om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet.

Artikel 3. Hoogte individuele studietoeslag

De individuele studietoeslag bedraagt afhankelijk van de leeftijdscatergorie, een percentage van de bijstandsnorm voor gehuwden conform artikel 21 onderdeel b van de Participatiewet. Daarmee is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de systematiek die door het UWV wordt toegepast bij toekenning van een vergelijkbare studietoeslag. De percentages voor onder de 23 zijn als volgt berekend: [wettelijk minimumjeugdloon] / [wettelijk minimumloon vanaf 23] * 25%. Er is niet gekozen voor een percentage van het bruto wettelijk minimumloon omdat het werken met netto-bedragen meer past bij de werkwijze rondom de netto bijstand.

Artikel 4. Betaling individuele studietoeslag

Het ligt voor de hand om de studietoeslag per maand te betalen omdat de toeslag bedoeld is als inkomensaanvullende regeling voor het dekken van algemene kosten van levensonderhoud. Veel van die kosten doen zich maandelijks voor, zoals woonlasten, zorgpremies, etc. Daarnaast vindt betaling vanuit een bijbaan in de regel ook maandelijks plaats. Verder sluit een maandbetaling ook meer aan bij het systeem van in- en uitschrijving bij een studie. Gewoonlijk gebeurt dat per maand (vaak de eerste van de maand).

Artikel 5. Toekenning en beëindiging van de individuele studietoeslag

In het eerste lid is bepaald dat een studietoeslag pas wordt toegekend vanaf de eerste van de maand waarop de aanvraag is ingediend. Het is niet de bedoeling dat een toeslag met terugwerkende kracht, bijvoorbeeld vanaf datum aanvang studiejaar, wordt verstrekt. Bij ongewijzigde omstandigheden loopt de toeslag tot aan het eind van het school- of studiejaar. Belanghebbende kan tegen het einde van school- of studiejaar een nieuwe aanvraag indienen. Het tweede lid maakt duidelijk dat de studietoeslag tussentijds wordt beëindigd zodra de studie wordt gestaakt of belanghebbende niet langer recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Artikel 6. Nadere regels

In dit artikel is aangegeven dat het college nog nadere regels kan stellen. Zo moet bijvoorbeeld nog worden bepaald welke organisatie met welk instrumentarium het college gaat adviseren met betrekking tot het oordeel of een belanghebbende met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijke minimumloon. Het kan ook dat op dit punt wordt volstaan met de nadere regel dat de vaststelling als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdeel d van de Participatiewet, door dezelfde organisatie en op dezelfde wijze plaatsvindt als bij het vaststellen van een evt. arbeidsbeperking bij iemand die bijstand aanvraagt of ontvangt. Ook kan bij nadere regels nog worden gedacht aan het toepassen van een partnertoets en/of met het in bepaalde mate rekening houden met inkomsten anders dan uit studiefinanciering of tegemoekoming studiekosten. Daarbij kan ook een inkomstengrens worden bepaald; komen de inkomsten anders dan uit studiefinanciering of tegemoetkoming schoolkosten bijvoorbeeld boven een bepaalde grens dan vervalt de aanspraak op een studietoeslag.

Artikel 7 en 8. Inwerkingtreding en Citeertitel

Behoeven geen nadere bespreking.