Officiele publicatie

Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ Maastricht-Heuvelland 2015

Het Algemeen Bestuur van Pentasz Mergelland,

  • gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet;
  • artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid IOAW, alsmede artikel 35, eerste lid; onderdeel b en artikel 20, eerste lid IOAZ;
  • gezien de inwerkingtreding van de Participatiewet.

Besluit:

vast te stellen: de Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2015.

Hoofdstuk 1: algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsomschrijving

1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.
    IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
  • b.
    IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
  • c.
    de IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op de belanghebbende van toepassing zijn;
  • d.
    Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
  • e.
    uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid IOAW/IOAZ;
  • f.
    grondslag: de voor de werkloze werknemer dan wel gewezen zelfstandige toepasselijke grondslag bedoeld in artikel 5, derde, vierde en vijfde lid van de IOAW, onderscheidenlijk artikel 5, vierde lid van de IOAZ;
  • g.
    maatregel: het verlagen van de grondslag op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede het blijvend (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ;
  • h.
    inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;
  • i.
    Dagelijks Bestuur: het bestuursorgaan van Pentasz Mergelland welke bestaat uit leden van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.
  • j.
    Algemeen Bestuur: het bestuursorgaan van Pentasz Mergelland die bestaat uit leden van de gemeenteraad van de deelnemende gemeenten.
2.

Zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in de IOAW en IOAZ.

Artikel 2: Het opleggen van een maatregel

(verlaging uitkering)

1.

Als de belanghebbende naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting – anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a en c IOAW/IOAZ – schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het Dagelijks Bestuur zeer ernstig misdraagt.

(weigering uitkering)

2.

Indien naar het oordeel van het Dagelijks Bestuur bij belanghebbende sprake is van een situatie bedoeld in artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ, welke niet is omschreven in het eerste lid, wordt eveneens overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

Artikel 3: De berekeningsgrondslag en de ingangsdatum

De maatregel in de vorm van een verlaging wordt toegepast op de grondslag.

Artikel 4: Afstemming en duur van de maatregel

1.

Een maatregel bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

2.

Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de maatregel een maand.

3.

De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

Artikel 5: Afzien van het opleggen van een maatregel

1.

Het Dagelijks Bestuur ziet af van het opleggen van een maatregel, bedoeld in artikel 2, eerste lid, indien:

  • a.
    elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
  • b.
    de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het Dagelijks Bestuur heeft plaatsgevonden.
2.

Het Dagelijks Bestuur kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

3.

Indien het Dagelijks Bestuur afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 6: Ingangsdatum en tijdvak

1.

De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende grondslag.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald.

Artikel 7: Samenloop van gedragingen

1.

Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd.

2.

Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden in één kalendermaand ten uitvoer gelegd. Indien de maatregelen niet in één kalendermaand kunnen worden geëffectueerd, worden de maatregelen na het besluit tot opleggen van de maatregel achtereenvolgend ten uitvoer gelegd.

Hoofdstuk 2: geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgenvan algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 8: Indeling in categorieën

Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.
    Eerste categorie:
    het zich niet dan wel niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet dan wel niet tijdig laten verlengen van de registratie.
  • 2.
    Tweede categorie:
    • a.
      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
    • b.
      het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de voorziening
    • c.
      het niet of onvoldoende verrichten van een door het Dagelijks Bestuur opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of van de IOAZ.
  • 3.
    Derde categorie
    • a.
      het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
    • b.
      gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;
    • c.
      het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering, als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de voorziening.

Artikel 9: Hoogte van de maatregel

1.

Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel vastgesteld op:

  • a.
    tien procent van de grondslag bij gedragingen van de eerste categorie;
  • b.
    vijftig procent van de grondslag bij gedragingen van de tweede categorie;
  • c.
    honderd procent van de grondslag bij gedragingen van de derde categorie.

Hoofdstuk 3: Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerdearbeid, het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden alsmede het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid.

Artikel 10: Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid

1.

Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het Dagelijks Bestuur, met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, blijvend een maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en:

  • a.
    aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel
  • b.
    de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
2.

De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag verloren inkomen.

Artikel 11: Niet aanvaardenvan algemeen geaccepteerde arbeid

1.

Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het Dagelijks Bestuur blijvend een maatregel op indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de IOAW/IOAZ en hij weigert de hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.

2.

De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen niet verkregen inkomen uit deze arbeid.

Artikel 12: Door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen

1.

Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het Dagelijks Bestuur blijvend een maatregel op indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de IOAW/IOAZ en hij/zij door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

2.

De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen niet verkregen inkomen uit deze arbeid.

Hoofdstuk 4: niet nakomen van de medewerkingsplicht

Artikel 13: Niet of onvoldoende meewerken

Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het Dagelijks Bestuur een maatregel op van tien procent van de grondslag, indien belanghebbende de verplichting op grond van artikel 13 IOAW/IOAZ, tweede lid niet is nagekomen door niet of onvoldoende de desgevraagde medewerking te verlenen die nodig is voor de uitvoering van de IOAW/IOAZ.

Hoofdstuk 5: overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 14: Zeer ernstige misdragingen

1.

Indien de belanghebbende zich jegens het Dagelijks Bestuur of haar medewerkers zeer ernstig misdraagt legt het Dagelijks Bestuur een maatregel op. In een op directieniveau vast te stellen protocol wordt nader aangegeven wanneer sprake is van zo’n zeer ernstige misdraging.

2.

Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel bepaald op:

  • a.
    vijftig procent van de grondslag gedurende een maand indien de gedraging gekwalificeerd kan worden als vernieling;
  • b.
    honderd procent van de grondslag gedurende een maand indien de gedraging gekwalificeerd kan worden als bedreiging, belaging of mishandeling.

Hoofdstuk 6: slotbepalingen

Artikel 15: Uitvoering

De uitvoering van deze verordening berust bij het Dagelijks Bestuur zoals vastgesteld in de gemeenschappelijke regeling regionale sociale dienst Pentasz Mergelland.

Artikel 16: Mandaatverlening

Het Dagelijks Bestuur is bevoegd tot het stellen van nadere regels, het stellen van beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften, met dien verstande dat deze regels c.q voorschriften conform de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften worden bekendgemaakt.

Artikel 17: Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule

1.

In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het Dagelijks Bestuur.

2.

Het Dagelijks Bestuur kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 18: Inwerkingtreding en Intrekking

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. De bestaande Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ Pentasz Mergelland 2013 e.v., vastgesteld op 11 december 2012, wordt per 1 januari 2015 ingetrokken.

Artikel 19: Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: de Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2015.

Aldus besloten door het Algemeen Bestuur van Pentasz Mergelland in haar vergadering van 10 december 2014.
De Secretaris,
J.L.H.J. Saes.
De Voorzitter,
J.P.M.H. Kompier.

Algemene toelichting

Met de inwerkingtreding van de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG) op 1 januari 2010, werd het aantal landelijke regels rondom bijstand en de kleinere regelingen IOAW, IOAZ en Bbz verder ingeperkt en werd aan gemeenten gevraagd zelf beleidsregels op te stellen, zo ook voor het afstemmingsbeleid voor de IOAW/IOAZ, dat voorheen geregeld was bij AMvB.

De Afstemmingsverordening IOAW/IOAZ bevat nog de nodige verwijzingen naar de Wet werk en bijstand die per 1 januari 2015 wordt vervangen door de Participatiewet.

Deze nieuwe afstemmingsverordening is daarom vooral tekstueel aangepast aan de komende Participatiewet.

Inhoudelijk sluit de verordening zo veel mogelijk aan bij het afstemmingsregime dat onder de WWB gold en straks ook onder de Participatiewet zal gelden. Een uitzondering vormt de afstemming na schending van zogenoemde uniforme verplichtingen. Afstemming berust hier exclusief op de Participatiewet.

Daar staat tegenover dat de IOAW en IOAZ nog steeds, dus ook in afwijking van de komende Participatiewet, een aantal situaties onderscheiden waarbij het mogelijk is de uitkering (gedeeltelijk) blijvend te weigeren. De IOAW en IOAZ vormen immers nog steeds specifieke wetten waarin werkloosheid een centrale rol speelt en hebben daarmee niet het sluitstukkarakter van de Participatiewet. Verwijtbare werkloosheid, het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid worden daardoor zwaar aangerekend. Dat kwam destijds ook tot uitdrukking in de oude AMvB (Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ). Bij weigering van de uitkering blijft de Participatiewet natuurlijk altijd het vangnet.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1: algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsomschrijving

Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal omschrijvingen verdient enige extra aandacht.

Onder c. de IOAW/IOAZ

Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu een groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering en inhoud en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet verwezen moet worden.

Onder f. grondslag

De Participatiewet werkt met verlagingen op de netto bijstand. Bij de IOAW en IOAZ wordt gewerkt vanuit een bruto benadering. Het uitkeringssysteem is hier ook op ingericht. De verlagingen kunnen daarom alleen worden toegepast op de grondslag. Eigenlijk net als onder het regime van het oude Maatregelbesluit Abw, IOAW en IOAZ. Dit neemt niet weg dat bij het bepalen van de hoogte van de maatregelen IOAW/IOAZ toch zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij de percentages en verlagingen op de netto bijstand in het kader van de Participatiewet.

Onder g. maatregel

In afwijking van de Participatiewet wordt ook het blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt. Dit houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit vlak.

Onder h. inkomen

Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW en IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de Participatiewet gehanteerde inkomensbegrip.

Artikel 2: Het opleggen van een maatregel

Dit artikel bundelt in het eerste lid het bepaalde in artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ, met uitzondering van het bepaalde dat doelt op artikel 13, eerste en derde lid IOAW/IOAZ.

In het derde lid wordt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ gebundeld.

Artikel 3: De berekeningsgrondslag en de ingangsdatum

Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de grondslag.

Artikel 4: Afstemming en duur van de maatregel

In deze afstemmingsverordening zijn voor de diverse gedragingen standaardmaatregelen vastgesteld. Desalniettemin dient bij het opleggen van een maatregel, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te worden beoordeeld of als gevolg van de ernst van het feit en de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van belanghebbende een andere maatregel gepast is.

Zo kan bijvoorbeeld afhankelijk van de zwaarte van de gedraging en de omvang van de gevolgen of bij een zoveelste recidive van de standaardmaatregel worden afgeweken. Deze kan dan hoger (tot maximaal 100%) of juist lager worden vastgesteld.

De maatregel kan op basis van het eerste lid in voorkomende gevallen ook over een langere periode worden gespreid. De standaard maatregel is dan bijvoorbeeld één maand 100%, maar wordt vervolgens verdeeld over twee maanden 50%.

Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de maatregel bestaat uit het blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering (artikel 2, derde lid). Hier is afstemmen immers niet opportuun. Het is of weigeren volgens de voorgeschreven systematiek of afzien van het opleggen van een maatregel.

In het tweede lid van dit artikel is de algemene duur van een maatregel vastgesteld op 1 maand, tenzij in de verordening anders is bepaald. Dit voorbehoud duidt met name op situaties waarbij de maatregel bestaat uit het blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering. Duur is hier immers geen bepaalde termijn maar staat gelijk aan blijvend weigeren.

Door voor de overige gevallen de duur van de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen, wordt voorkomen dat overal waar een maatregel wordt genoemd steeds weer moet worden aangegeven dat deze voor 1 maand wordt opgelegd.

Het derde lid maakt hier weer een algemene uitzondering op, door bij recidive de duur te verdubbelen.

Artikel 5: Afzien van het opleggen van een maatregel

Bij het opleggen van een maatregel bedoeld in artikel 2, eerste lid, dient ook de mate van verwijtbaarheid in de beoordeling te worden meegenomen. Hierbij moet de vraag worden gesteld in hoeverre belanghebbende op de hoogte was/kon zijn van zijn verplichtingen, alsmede de psychische gesteldheid van belanghebbende. Bij het ontbreken van iedere verwijtbaarheid wordt er geen maatregel opgelegd. De vraag of elke verwijtbaarheid ontbreekt heeft gezien het bepaalde in artikel 20 IOAW/IOAZ alleen betrekking op maatregelen bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel bedoeld in artikel 2, eerste lid, is verjaring. Omwille van de effectiviteit van een maatregel is het geboden dat deze zo snel mogelijk nadat de gedraging heeft plaatsgevonden wordt opgelegd (‘lik op stuk’). Deze verjaringstermijn wordt vastgesteld op één jaar.

Bij het afzien van een maatregel wegens dringende redenen is in principe al geconcludeerd dat een maatregel op zijn plaats is. Echter wegens dringende redenen wordt deze maatregel niet opgelegd. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Belanghebbende ontvangt een beschikking dat er is afgezien van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen. Een volgende verwijtbare gedraging zal als recidive worden beschouwd.

Artikel 6: Ingangsdatum en tijdvak

Net als in de afstemmingverordening Participatiewet, wordt een maatregel in de regel naar de toekomst opgelegd. Hiermee wordt voorkomen dat het recht herzien moet worden en de teveel verstrekte uitkering moet worden teruggevorderd. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand nadat het besluit is genomen.

In voorkomende situaties kan het praktisch zijn om de maatregel te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de uitkering wel worden herzien en teruggevorderd.

Artikel 7: Samenloop van gedragingen

De bepaling in het eerste lid geldt dus voor één bepaalde gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. Is daarvan sprake dan dient bij het bepalen van de maatregel te worden uitgegaan van de schending van de verplichting waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.

De bepaling in het tweede lid heeft betrekking op verschillende gedragingen die (min of meer) gelijker tijd plaatsvinden.

Hoofdstuk 2: geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 8: Indeling in categorieën

In deze bepaling is geen gedraging opgenomen in de vorm van het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit houdt verband met het feit dat juist bij deze gedraging de IOAW en IOAZ de mogelijkheid bieden tot tijdelijke of blijvende (gedeeltelijke) weigering van de uitkering. Dit is dan ook apart geregeld in artikel 11. Het tijdelijk of blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering kan overigens ook nog in een tweetal andere situaties. Die zijn omschreven in artikel 10 en 12.

Eerste categorie

De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende (tijdig) te laten registreren bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) of die registratie (tijdig) te laten verlengen.

De gemeente hecht een groot belang aan de plicht tot arbeidsinschakeling. De inschrijving bij het UWV is een eerste, relatief eenvoudige stap op weg naar re-integratie in het arbeidsproces. Het niet dan wel niet tijdig ingeschreven staan bij het UWV betekent onvermijdelijk een vertraging van de re-integratie.

Tweede categorie

Bij toekenning van de uitkering of in een later stadium kan aan de belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om mee te werken aan een (diagnostisch) onderzoek naar zijn mogelijkheden en naar de inzet van re-integratie-instrumenten waaronder deelname aan een concreet re-integratietraject dat uiteindelijk moet leiden tot uitstroom of zelfstandige maatschappelijke participatie. De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, hetgeen gevolgen kan hebben voor de duur van de aanspraak op een uitkering.

Wordt een re-integratievoorziening aangeboden dan rust op belanghebbende de verplichting zich hier volledig voor in te zetten. Gebeurt dit onvoldoende dan zal dit leiden tot vertraging van het traject. De gedragingen in deze categorie hebben echter niet tot gevolg dat het traject (definitief) geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken bij het re-integratiebedrijf verschijnt of opdrachten in het kader van scholing niet naar behoren uitvoert.

Het Transferium Werk en Bijstand vormt binnen het onderzoeks- en re-integratiegebeuren een bijzondere plek. Binnen deze setting gelden bepaalde huisregels die ertoe moeten bijdragen dat het diagnostisch onderzoek zo goed mogelijk kan verlopen. Overtreding van die regels – bijvoorbeeld een herhaalde weigering een hoofdtelefoon af te zetten – zou kunnen worden opgevat als een gedraging van de tweede categorie. Het zonder meer toepassen van de daarbij behorende maatregel van één maand 50% wordt echter als een te zware sanctie ervaren. Het is dan toch mogelijk om een maatregel te baseren op artikel 8, tweede lid, maar vervolgens de hoogte te matigen met toepassing van artikel 4, eerste lid van de verordening.

Natuurlijk dient helder te zijn dat belanghebbende, voorafgaand aan het opleggen van een maatregel eerst een duidelijke schriftelijke waarschuwing heeft gehad (overigens niet te verwarren met de waarschuwing bedoeld in artikel 13).

In deze tweede categorie is ook de verplichte tegenprestatie opgenomen, d.w.z. de door het Dagelijks Bestuur opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden als bedoeld artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of van de IOAZ.

Derde Categorie

In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen tot een beroep op uitkering of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen.

Bij onderdeel a gaat het om de actieve sollicitatieplicht. De belanghebbende is verplicht een minimaal aantal sollicitaties te verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken te tonen. Het exacte minimum aantal verplichte sollicitaties zal onder andere afhangen van het aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid. Met de enkele mededeling van mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen, tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

Bij onderdeel b wordt geduid op negatieve gedragingen bij sollicitaties.

Bij onderdeel c gaat het om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in de tweede categorie onder b, echter met dit belangrijke verschil dat de gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of afbreken van een re-integratie-traject. In de praktijk zal beëindiging van zo’n traject veelal pas plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee te willen meewerken aan instrumenten gericht op een zo spoedig mogelijke inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing, tot beëindiging van het traject leiden. In alle gevallen betreft het gedragingen die de kans op uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Zonder traject is inschakeling in arbeid voor de desbetreffende belanghebbende immers niet mogelijk.

Artikel 9: Hoogte van de maatregel

Bij het bepalen van hoogte van de maatregel is hier aansluiting gezocht bij de afstemmingsverordening Participatiewet. Verschil is dat als gevolg van de andere uitkeringssystematiek van IOAW/IOAZ (bruto-benadering) hier wordt uitgegaan van een percentage van de grondslag, terwijl bij de Participatiewet een percentage geldt van de bijstandsnorm (netto). Dit kan ertoe leiden dat de uiteindelijk op te leggen maatregel qua hoogte van het bedrag iets afwijkt van die binnen de Participatiewet.

Hoofdstuk 3: Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid, het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden alsmede het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 10: Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid

In deze bepaling is de mogelijkheid die de IOAW en IOAZ biedt om bij verwijtbare werkloosheid de uitkering blijvend of tijdelijk geheel of gedeeltelijk te weigeren, volledig uitgewerkt.

Vanwege het specifieke uitkeringsregime van IOAW en IOAZ is gekozen voor het blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering. Verwijtbare werkloosheid wordt de belanghebbende hier dus zwaar aangerekend.

Bij een volledige weigering van de uitkering, kan de belanghebbende in wezen per direct aankloppen voor (aanvullende) bijstand ingevolge de Participatiewet. Binnen het kader van de Participatiewet zal dan moeten worden beoordeeld of belanghebbende recht heeft op bijstand (in afwijking van de IOAW en IOAZ kent de Participatiewet een beperkte vermogensvrijlating en een ruimer inkomensbegrip) en in hoeverre het maatregelwaardige gedrag ook binnen de Participatiewet tot een verlaging zou hebben geleid. Hoewel alle besluiten zorgvuldig moeten worden genomen geldt – juist omdat het hier gaat om een ingrijpende sanctie – dat bij de besluitvorming uiterste zorgvuldigheid moet worden betracht. Daarbij moet met name aandacht uitgaan naar het beginsel van hoor en wederhoor. Overigens geldt dit evenzeer bij toepassing van artikel 11 en 12.

Artikel 11: Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid

Anders dan binnen de Participatiewet kan in het kader van de IOAW en IOAZ bij het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid de uitkering blijvend of tijdelijk geheel of gedeeltelijk worden geweigerd. Net als voorgaand artikel is ook hier vanwege het specifieke uitkeringsregime van de IOAW en IOAZ gekozen voor het blijvend (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering. Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid weegt dus eveneens zwaar.

Bij het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid gaat het concreet om het weigeren van een aangeboden dienstverband. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan, gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur. Essentieel is dat de belanghebbende door de werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of gedeeltelijk uit de IOAW of IOAZ te komen. Bij een volledige weigering geldt eenzelfde handelswijze als hiervoor bij artikel 10 is geschetst.

Artikel 12: Door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen

IOAW en IOAZ bieden ook wanneer sprake is van het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid de mogelijkheid de uitkering blijvend of tijdelijk geheel of gedeeltelijk te weigeren. Geheel in lijn van de voorgaande artikelen wordt ook hier de uitkering blijvend (gedeeltelijk) geweigerd.

Het gaat in deze om een meer ernstige variant van de gedraging bedoeld in artikel 8, derde lid onder b. De belanghebbende die een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangt moet blijk geven van dusdanig belemmerend gedrag dat kan worden gesproken van het ‘door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid’.

Het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid moet overigens niet worden verward met het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen bedoeld in artikel 8, derde lid onder a. Daar gaat het om schending van de actieve sollicitatieplicht.

Hoofdstuk 4: niet nakomen van de medewerkingsplicht

Artikel 13: Niet of onvoldoende meewerken

Dit artikel heeft betrekking op het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht. Voorbeelden hiervan zijn het niet tonen van het identiteitsbewijs, niet meewerken aan een huisbezoek en niet meewerken aan een onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens. Indien belanghebbende niet binnen de daartoe gestelde termijn de informatie verstrekt of anderszins onvoldoende medewerking verleent, wordt het recht op uitkering op grond van artikel 17 van de IOAW/IOAZ opgeschort en wordt belanghebbende verzocht het verzuim binnen een gestelde termijn te herstellen (de zogenaamde hersteltermijn). Indien de informatie of medewerking alsnog wordt verstrekt of verleend, wordt een maatregel toegepast. Indien belanghebbende het verzuim niet herstelt, wordt het recht op uitkering beëindigd met ingang van de eerste dag waarover dat recht is opgeschort.

Een bijzondere vorm van schending van de medewerkingsplicht is het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Omdat het hier gaat om het niet nakomen van een verplichting in het kader van de arbeidsinschakeling, wordt deze specifieke gedraging niet gesanctioneerd op basis van dit artikel maar op grond van artikel 8, tweede categorie onder a. De gedraging blijft overigens wel een schending van de medewerkingsplicht ex artikel 13 tweede lid IOAW/IOAZ, waardoor – althans ten aanzien van belanghebbenden aan wie al een uitkering is toegekend – ná de maatregelwaardige gedraging de hierboven geschetste weg van artikel 17 IOAW/IOAZ kan worden gevolgd.

Ten aanzien van oproepen door een re-integratiebedrijf (RIB) kan hier nog worden aangegeven dat de hiervoor bedoelde hersteltermijn niet gaat lopen vanaf het moment dat belanghebbende dient te verschijnen op een afspraak van het RIB, maar pas na de daaropvolgende oproep van Pentasz Mergelland (sociale dienst). Deze oproep vindt in de regel plaats nadat belanghebbende niet is verschenen op de afspraak van het RIB. Geeft belanghebbende ook geen gehoor aan de oproep van Pentasz dan geldt voor de hersteltermijn de datum van deze oproep.

Hoofdstuk 5: overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 14: Zeer ernstige misdragingen

Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, waarbij sprake is van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. In de verordening is aangegeven dat agressief gedrag van een uitkeringsgerechtigde aanleiding vormt voor het opleggen van een maatregel.

Een nadere uitwerking van wat onder ‘het zeer ernstig misdragen’ kan worden verstaan, vindt plaats in het zogenoemde Agressieprotocol. Dit protocol geldt ook voor de Participatiewet. Daarom is voor wat betreft de systematiek in deze verordening waar mogelijk aansluiting gezocht bij de betreffende artikelen van de Participatiewet.

Het is in ieder geval duidelijk dat het moet gaan om ernstige misdragingen tegenover medewerkers van Pentasz Mergelland en medewerkers van andere organisaties die belast zijn met de uitvoering van de IOAW/IOAZ. In afwijking van de Participatiewet is voor de IOAW/IOAZ de voorwaarde blijven gelden dat de ernstige misdraging moet hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van deze wet.

Het doen van aangifte van een strafbaar feit is geen voorwaarde voor het opleggen van een maatregel wegens vernieling, bedreiging, belaging of mishandeling. Of aangifte wordt gedaan conform het agressieprotocol staat dus los van het opleggen van een maatregel. Ook een veroordeling door de strafrechter is geen voorwaarde voor toepassing van deze bepaling. Een maatregel vanwege een ernstige misdraging is niet bedoeld om de eventueel door die misdraging veroorzaakte schade te vergoeden.

Hoofdstuk 6: slotbepalingen

Artikel 15: Uitvoering

De uitvoering van deze regeling welke normaal is gelegen bij het college van burgemeester en wethouders is middels de Gemeenschappelijke Regeling van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland overgedragen aan het Dagelijks Bestuur van Pentasz Mergelland.

Artikel 16: Mandaatverlening

Het Dagelijks Bestuur is bevoegd om namens de colleges van burgemeester en Wethouders van de Pentasz Mergelland gemeenten nadere regels vast te stellen omtrent de uitvoering van deze verordening.

Artikel 17: Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule

In de bevoegdheidsverdeling tussen Algemeen- en Dagelijks bestuur past het dat het Algemeen Bestuur beleidskaders vaststelt. Deze kaders zijn in deze verordening uitgewerkt. Het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van dat beleid en op sommige onderdelen, met de nadere uitwerking daarvan.

Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien of waarin toepassing van deze verordening leidt tot onredelijkheden, dan is het aan het Dagelijks Bestuur om besluiten te nemen waarin recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het beleid en anderzijds het individuele belang van de belanghebbende. Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen die afwijken van deze verordening.

Artikel 18: Inwerkingtreding en Intrekking

In het kader van de inwerkingtreding kan worden opgemerkt dat de Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2013, die is vastgesteld op 11 december 2012, op het moment dat de nieuwe Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2015 in werking treedt, wordt ingetrokken. Dat is ingaande 1 januari 2015.

Artikel 19: Citeertitel

Spreekt voor zich.