Officiele publicatie

Uitvoeringsbesluit Kinderopvang op basis van Sociaal Medische Indicatie (SMI)

Status: versie besluitvorming

Datum: 10 maart 2017

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepaling

1.

Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wet Kinderopvang), de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

2.

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

a. de wet:

de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wet Kinderopvang).

b. het college:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Maastricht, Vaals en Valkenburg aan de Geul.

c. uitkering:

algemene bijstand op grond van de Participatiewet, alsmede een uitkering op grond van de IOAW en IOAZ.

d. tegemoetkoming:

een bijdrage in de kosten van kinderopvang op basis van sociaal medische gronden.

e. sociaal medische gronden:

beperkingen in de opvoed- en opgroeisituatie van het kind waarbij deelname aan kinderopvang een adequate voorliggende en/of aanvullende voorziening vormt in de integrale aanpak de niet vrij toegankelijke vormen van Jeugdhulp vanuit de Jeugdwet en waarbij de kinderopvang bijdraagt aan het verbeteren van de mogelijkheden voor het kind om gezond en veilig op groeien en dreigende ontwikkelingsachterstanden te voorkomen. Daarbij dient er een verband te bestaan tussen de ondervonden beperkingen en de noodzaak tot het gebruik maken van kinderopvang.

f. belastingtabel kinderopvangtoeslag:

de op grond van artikel 8 Besluit kinderopvangtoeslag geldende tabel waarin de inkomensafhankelijke percentages voor de tegemoetkomingen in de kosten kinderopvang zijn opgenomen.

g. houder:

degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert ofwel de gastouder die een voorziening voor gastouderopvang exploiteert.

h. team Jeugd:

een team van professionals die samen met de jongeren en ouders kijken naar de ondersteunings- of hulpverleningsbehoefte en een aanvraag kunnen indienen voor SMI bij een uitvoeringsorganisatie.

i. kinderopvang:

het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen door een kindercentrum, peuterspeelzaal of gastouderbureau welke staat ingeschreven in het landelijke register kinderopvang en peuterspeelzalen (LRKP).

j. kindercentrum:

een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang.

k. de ouder:

de (pleeg)vader/(pleeg)moeder van het kind, dienst partner of de verzorger van het kind en diens partner.

l. adequate voorliggende voorziening:

elke voorziening die geschikt is voor de opvang van het kind en waarop de ouder aanspraak kan maken, inclusief opvang in de privésfeer.

3.

Waar het in deze beleidsregel gaat over de ouder, wordt tevens bedoeld de andere ouder of partner waarmee de ouder een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in de Participatiewet, voert.

4.

Waar het in deze beleidsregel gaat over de ouder en partner, worden de ouder en diens partner die tevens ouder is, voor toepassing van deze beleidsregel geacht gezamenlijk aanspraak te maken op de tegemoetkoming.

HOOFDSTUK 2. AANSPRAAK OP TEGEMOETKOMING KOSTEN KINDEROPVANG

Artikel 2. Aanspraak tegemoetkoming bij sociaal medische indicatie

1.

De ouder, woonachtig in de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Maastricht, Vaals of Valkenburg aan de Geul, die Nederlander is of die in het kader van de Participatiewet gelijkgesteld wordt met een Nederlander, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang indien de ouder geen recht heeft op kinderopvangtoeslag én als naar oordeel van het college sprake is van een zodanige sociaal medische problematiek van de ouder en/of het kind in de leeftijd van 0 tot 13 jaar, dat zonder die tegemoetkoming een ernstige ontwikkelingsachterstand dreigt te ontstaan bij het kind.

2.

De noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie wordt vastgesteld door een door het college aangewezen onafhankelijke instantie.

3.

Om aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming bij sociaal medische indicatie voert de ouder een gesprek met team Jeugd (of andere daarvoor aangewezen organisatie) en is een integraal plan (1G1P1R) opgesteld.

4.

Bij de bepaling van de noodzaak houdt het college rekening met goedkopere en kosteloze alternatieven met betrekking tot de opvang van het kind.

Artikel 3. De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend

De tegemoetkoming wordt in principe tijdelijk verleend, waarbij de periode wordt afgestemd op de in gang te zetten verbetering van de opvoed- en opgroeisituatie.

Artikel 4. Omvang van de kinderopvang

De noodzakelijke omvang van de kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming kan worden verleend, wordt, met inachtneming van artikel 10, in samenspraak met de ouders bepaald. De tegemoetkoming wordt slechts verleend voor de periode en het aantal uren per week gedurende welke de inzet van kinderopvang op basis van sociaal medische indicatie naar het oordeel van het college noodzakelijk is.

Artikel 5. Eigen bijdrage

1.

Bij het verstrekken van een tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie is de ouder een eigen bijdrage verschuldigd.

2.

De eigen bijdrage is inkomensafhankelijk en wordt conform de belastingtabel kinderopvangtoeslag berekend.

3.

De eigen bijdrage is niet van toepassing op ouders met een inkomen tot 110% van de geldende bijstandsnorm (paragraaf 3.2 van de Participatiewet).

Artikel 6. Maximum uurtarief

Voor de opvangkosten kinderopvang wordt het door het Rijk jaarlijks vastgestelde fiscale tarief gehanteerd. Opvangkosten die boven het maximum uurtarief komen, worden door de ouder zelf betaald.

Artikel 7. Ingangsdatum van de tegemoetkoming

1.

De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de noodzaak tot het afnemen van kinderopvang is ontstaan.

2.

De tegemoetkoming kan, met inachtneming van het eerste lid, niet eerder worden verleend dan de ingangsdatum waarop de overeenkomst tot het afnemen van kinderopvang ten behoeve van het betreffende kind is ingegaan.

3.

De tegemoetkoming kan voorts, met inachtneming van het eerste en het tweede lid, niet eerder worden verleend dan met ingang van de dag waarop de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is genomen.

HOOFDSTUK 3. AAN VRAAGPROCEDURE

Artikel 8. Te verstrekken gegevens bij aanvraag

1.

Een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van deze beleidsregel wordt schriftelijk ingediend en bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • a.
    naam, adres en BSN van de ouder;
  • b.
    indien van toepassing: naam en BSN van de partner en, als dit een ander adres is dan het adres van de aanvrager, het adres van de partner;
  • c.
    naam, adres, geboortedatum en BSN van het kind waarop de aanvraag betrekking heeft;
  • d.
    het aantal uren per volledige maand en de periode waarin kinderopvang volgens de aanvrager noodzakelijk zal zijn;
  • e.
    het integrale plan (1G1P1R) dat samen met team Jeugd of Jeugdgezondheidszorg is opgesteld;
  • f.
    bewijsstukken waaruit blijkt hoe hoog het bruto verzamelinkomen van de ouder en diens eventuele partner is;
  • g.
    een offerte of de overeenkomst van het kindercentrum, de peuterspeelzaal of het gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, waarin in ieder geval wordt aangegeven:
    • het aantal uren kinderopvang per kind per maand,
    • de kostprijs per uur,
    • de ingangsdatum en de einddatum van de overeenkomst met het kindercentrum, de peuterspeelzaal of het gastouderbureau.
      Indien er nog geen sprake is van kinderopvang kan de plaatsingsovereenkomst na het advies worden verstrekt.
  • h.
    de in de bijlage van de aanvraag opgenomen machtiging, waarin de ouder toestemming verleend om de tegemoetkoming door te betalen aan het kindercentrum, de peuterspeelzaal of het gastouderbureau.
  • i.
    overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag van een tegemoetkoming.
2.

Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

3.

Indien de aanvrager een partner heeft, dient de aanvraag mede ondertekend te worden door de partner.

HOOFDSTUK 4. VERLENING VAN EEN TEGEMOETKOMING

Artikel 9. Beslistermijn

1.

Het college neemt binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens een besluit over de aanvraag.

2.

Het college kan het in het eerste lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken opschorten. Het college stelt de ouder schriftelijk in kennis van de opschorting en de reden hiertoe.

Artikel 10. Weigeringsgronden

1.

Er bestaat geen recht op een tegemoetkoming indien:

  • a.
    de ouder niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van deze beleidsregel;
  • b.
    niet wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 14 of 15 van deze beleidsregel;
  • c.
    de opvang niet noodzakelijk is;
  • d.
    de opvang wordt verzorgd door een instelling die niet staat ingeschreven in het landelijke register kinderopvang en peuterspeelzalen (LRKP);
  • e.
    de opvang niet zal plaatsvinden of niet adequaat is;
  • f.
    er sprake is van een adequate voorliggende voorziening;
  • g.
    door verstrekking van de tegemoetkoming het subsidieplafond zou worden overschreden.
2.

Tot een adequate voorliggende voorziening wordt in ieder geval gerekend:

  • a.
    een voorziening op grond van de Wet Kinderopvang, waarmee de ouder aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag;
  • b.
    een andere adequate (opvang)voorziening zowel in professionele zin als in niet-professionele zin.

Artikel 11. Inhoud van de beschikking

Het besluit naar aanleiding van een aanvraag voor een tegemoetkoming op sociaal medische gronden bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • a.
    de naam en geboortedatum van het kind ten behoeve van wie de tegemoetkoming wordt aangevraagd;
  • b.
    het aantal uren per week en de periode waarvoor een tegemoetkoming wordt verleend;
  • c.
    de naam van het kindercentrum, de peuterspeelzaal of het gastouderbureau waar de opvang plaatsvindt;
  • d.
    de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;
  • e.
    de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;
  • f.
    de geldigheidsduur van de indicatie;
  • g.
    de voor de ouder(s) geldende verplichtingen.

Artikel 12. De betaling van de tegemoetkoming

1.

De tegemoetkoming wordt in de vorm van maandelijkse termijnen uitbetaald aan de houder van het kindercentrum, de peuterspeelzaal of het gastouderbureau waar het kind wordt opgevangen.

2.

De houder verstrekt na iedere maand de factuur van het kindercentrum, de peuterspeelzaal of het gastouderbureau van de betreffende kalendermaand waarover de tegemoetkoming verstrekt is door de gemeente.

Artikel 13. Terugvordering

Wanneer blijkt dat de tegemoetkoming onterecht is uitgekeerd, wordt het teveel betaalde teruggevorderd. Voor de werkwijze van terugvordering wordt aangesloten bij de Participatiewet.

HOOFDSTUK 5. VERPLICHTINGEN OUDER

Artikel 14. Beperking noodzaak

1.

De ouder doet al het mogelijke om de inzet van de noodzakelijke kinderopvang zo beperkt mogelijk te houden.

1.

Artikel 15. Inlichtingenplicht

1.

De ouder doet het college zo snel mogelijk na het bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van gegevens die tot wijzigingen leiden in de vaststelling van een tegemoetkoming.

2.

Het college wijzigt of trekt de beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming in en kan het teveel betaalde bedrag terugvorderen of invorderen, als de belanghebbende niet voldoet aan de inlichtingenplicht genoemd onder lid 1 en als gevolg hiervan of als gevolg van een andere reden ten onrechte een tegemoetkoming of ten onrechte een te hoge tegemoetkoming heeft ontvangen.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 16. Subsidieplafond

Het college kan voor de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op basis van sociaal medische indicatie bij nadere regels een subsidieplafond en verdeelregels vaststellen.

Artikel 17. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van een belanghebbende uit de doelgroep van deze beleidsregel, gemotiveerd afwijken van deze bepalingen, indien toepassing van deze bepalingen tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. In deze gevallen beslist het college over specifieke mogelijkheden en maatwerk.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 mei 2017.

Artikel 19. Overgangsrecht

Aanvragen met een ingangsdatum vóór de inwerkintreding van deze beleidsregel zullen beoordeeld worden conform de geldende beleidsregels tot 1 mei 2017.

Artikel 20. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Kinderopvang op basis van Sociaal Medische Indicatie (SMI) Maastricht-Heuvelland 2017 e.v.

Aldus besloten door:

burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten in de collegevergadering van x april 2017
de secretaris,
M.F.M.E. Severeijns
de burgemeester,
D.A.M. Akkermans
burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem in de collegevergadering van x april 2017
de secretaris,
J.G.A. Kusters
de burgemeester,
J.G.M.T. Ubachs (waarnemend)
burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht in de collegevergadering van x april 2017
de secretaris,
P.J. Buijtels
de burgemeester,
J.M. Penn-te Strake
burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen in de collegevergadering van 18 april 2017
de secretaris,
mr. J.J.M. Eurlings
de burgemeester,
M.A.H. Clermonts-Aretz
burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals in de collegevergadering van 29 maart 2017
de secretaris,
mr. drs. J.H.M.J. Bertram
de burgemeester,
drs. R.L.T. van Loo
burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul in de collegevergadering van 18 april 2017
de secretaris,
L.T.J.M. Bongarts
de burgemeester,
dr. J.J. Schrijen

ALGEMENE TOELICHTING

Het college is van mening dat het niet wenselijk is de aanzienlijke kosten van kinderopvang geheel voor eigen rekening te laten komen voor personen die op sociaal medische gronden op kinderopvang zijn aangewezen.

Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de vergoedingen.

In deze beleidsregel worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de tegemoetkomingen voor sociaal medisch geïndiceerde kinderopvang vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de inzet van de sociaal medische indicatie voor kinderopvang moet passen binnen een integrale aanpak voor ouders en/of gezin, en dat daarbij de uitvoeringslasten voor zowel Sociale Zaken Maastricht Heuvelland (uitvoeringsinstantie) als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn met de verstrekking van de tegemoetkomingen passend zijn bij de hulpvraag en zo goed mogelijk beheersbaar zijn.

Artikelsgewijze toelichting Uitvoeringsbesluit Kinderopvang op basis van Sociaal Medische Indicatie (SMI) Maastricht-Heuvelland 2017 e.v.

De artikelsgewijze toelichting is beperkt tot die artikelen die ook daadwerkelijk toelichting behoeven.

Artikel 2. Aanspraak tegemoetkoming bij sociaal medische indicatie

Een vergoeding wordt slechts verstrekt indien vast staat dat de inzet van kinderopvang noodzakelijk is. Indien blijkt dat er ook andere, kosteloze of goedkopere passende alternatieven zijn dan is er geen sprake van noodzakelijke kinderopvang in het kader van SMI. Daarbij kan gedacht worden aan familieleden of kennissen die het kind kunnen opvangen. Ook kan bezien worden, indien er sprake is van een partner, of er mogelijkheden zijn voor de partner om zijn of haar werktijden te wijzigen zodat hij of zij het kind in de betreffende uren kan opvangen.

Desgewenst kan een onafhankelijke instantie worden ingeschakeld om een advies te geven met betrekking tot de noodzaak, frequentie, omvang en eventuele alternatieven te onderzoeken.

Een vergoeding op grond van deze beleidsregel wordt alleen verstrekt aan inwoners (zowel (pleeg-)ouder als kind) van de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Maastricht, Vaals en Valkenburg aan de Geul indien is gebleken dat er sprake is van onder meer lichamelijke, verstandelijke, psychische of sociale beperking van een ouder of diens kind. De beperking moet van dien aard zijn dat het kind waarvoor een vergoeding wordt aangevraagd zich zonder de inzet van kinderopvang niet goed en gezond zou kunnen ontwikkelen en/of het risico op het ontstaan en/of verdiepen van ontwikkelingsachterstanden reëel is. Daarbij dient er een verband te bestaan tussen de ondervonden beperkingen en de noodzaak tot het gebruik maken van kinderopvang.

Wanneer er sprake is van enkel een taal-spraak achterstand van het kind, dan kan voor het kind een indicatie VVE (voor- en vroegschoolse educatie) worden aangevraagd. Deze VVE-voorziening geldt als voorliggend.

Artikel 3. De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend

Het college stemt de toekenning af op de noodzaak en heeft de mogelijkheid om de vergoeding voor een kortere periode dan de aangevraagde periode toe te kennen wanneer het van mening is dat de noodzaak zich tot een kortere periode beperkt. Dit is maatwerk.

Artikel 4. De omvang van de opvang

Het college stemt de toekenning af op de noodzaak en heeft de mogelijkheid om een vergoeding toe te kennen voor minder uren dan de aangevraagde uren indien het van mening is dat de noodzaak zich tot minder uren beperkt. Dit is maatwerk.

Artikel 5. De eigen bijdrage

De eigen bijdrage is inkomensafhankelijk. Voor de eigen bijdrage op grond van een sociaal medische indicatie wordt het Rijksbeleid gevolgd. Het Rijk hanteert de ‘tabel percentage tegemoetkoming kinderopvang‘ van de Belastingdienst. Om onnodige bureaucratie te voorkomen is een uitzondering gemaakt voor de groep ouders met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm. Het niet kunnen betalen van de eigen bijdrage voor kinderopvang wordt gezien als zorgwekkend signaal voor het gezond en veilig opgroeien van het kind wanneer de inzet van die kinderopvang als onderdeel van de integrale aanpak (1G1P1R) wordt gezien.

Artikel 6. Maximum uurtarief

In de wet is een maximumuurtarief vastgelegd. Dit tarief wordt jaarlijks geïndexeerd en gepubliceerd door het Rijk.

Artikel 7. Ingangsdatum van de tegemoetkoming

Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming. Er zijn drie ingangsdata mogelijk:

  • 1.
    De datum waarop de noodzaak van kinderopvang is ontstaan. In deze situatie kan de ouder op het moment dat hij zijn aanvraag indient en/of op het moment dat de noodzaak wordt vastgesteld reeds kinderopvang hebben.
  • 2.
    De datum waarop de kinderopvang van start gaat.
    Het tweede lid bepaalt dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er kinderopvang plaatsvindt.
  • 3.
    De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst is genomen. In deze situatie kan de ouder op het moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang hebben.

Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb. Dit betekent dat een aanvraag:

  • 1.
    schriftelijk moet worden ingediend;
  • 2.
    moet zijn ondertekend;
  • 3.
    de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;
  • 4.
    een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd.

De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is genomen. De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor door het college in ontvangst is genomen.

Artikel 8. Te verstrekken gegevens bij een aanvraag

De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college. Sociale Zaken Maastricht Heuvelland voert de regeling uit. De aanvraag dient bij voorkeur schriftelijk te gebeuren.

Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het aantal uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een verlaging van de tegemoetkoming in verband met een vermindering van de omvang van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel onmiddellijk mededeling doen aan het college.

Naast de genoemde gegevens kan het college ook andere gegevens vragen die het nodig acht om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verklaring met betrekking tot de werktijden van een ouder, bewijsstukken met betrekking tot de ondervonden beperkingen en bewijsstukken met betrekking tot mogelijke behandelingen van de ondervonden beperkingen die van invloed zouden kunnen zijn op de noodzaak tot het afnemen van kinderopvang. Dit is geen limitatieve opsomming.

Artikel 9. Beslistermijn

Bij het bepalen van de beslistermijn wordt rekening gehouden met de tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door een ‘onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid’. Gezien het gesprek dat de ouder voorafgaande aan de aanvraag heeft met het team Jeugd maakt de gemeente afspraken over de termijn waarbinnen adviezen worden uitgebracht door de adviserende instanties.

Artikel 10. Weigeringsgronden

Aileen ouders die onder de doelgroep zoals omschreven in artikel 2 lid 1 vallen, kunnen aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang wegens een sociaal-medische noodzaak.

Indien ouders niet voldoen aan artikel 14 of 15 kan dit ook reden zijn tot weigering. Het beperken van de noodzaak voor opvang wordt in deze extra benadrukt. Indien de overheid ouders een financiële tegemoetkoming verstrekt voor opvang vanwege sociale en of medische gronden, is het een taak van de ouder om de redenen voor de opvang aan te pakken. Hierin ligt de noodzaak van een integraal plan. Zeker bij een verlenging van een SMI tegemoetkoming kan het nalaten van de probleemaanpak een weigeringsgrond zijn.

Daarnaast dient de instelling waar het kind wordt opgevangen, te staan ingeschreven in het Landelijke register kinderopvang en peuterspeelzalen (LRKP). Aileen dan is er wettelijke verplichte toezicht en handhaving vanuit de gemeente op de kwaliteit en veiligheid van de opvang.

De weigeringsgronden onder lid 2 spreken voor zich.

Artikel 11. Inhoud van de beschikking

Het besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1 van de Awb. Dit betekent dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld. Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking aangegeven hoeveel uren kinderopvang noodzakelijk wordt geacht. Het besluit over de noodzakelijke omvang van de kinderopvang vormt de grondslag voor de aanvraag voor een tegemoetkoming van de gemeente. Bovendien moet in het besluit de geldigheidsduur van de indicatie worden vermeld. In het indicatieadvies zal hierover ook een uitspraak moeten worden gedaan. Het college neemt het besluit op basis van het uitgebrachte indicatieadvies. Dit advies is niet bindend. Dit betekent dat het college van dat advies kan afwijken. Als het college een beschikking geeft die afwijkt van het uitgebrachte advies, zal het college de redenen voor de afwijking in de beschikking moeten motiveren (artikel 4:20 Awb). De motiveringverplichting geldt vooral voor het geval waarin een positief advies wordt gegeven en het college een afwijzend besluit neemt.

Artikel 12. De betaling van de tegemoetkoming

Vergoedingen worden maandelijks uitbetaald aan de houder en niet aan de ouder. Iedere maand dient de houder van een kindercentrum, peuterspeelzaal of gastouderbureau de factuur van de betreffende maand te overleggen. In verband met de periodieke betaling zal er maandelijks een controle plaatsvinden op de facturen. Indien uit deze facturen blijkt dat de ouder minder uren opvang afneemt dan de uren waarvoor een tegemoetkoming werd toegekend, kan dit aanleiding vormen om te onderzoeken of de ouder wel heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht.

Artikel 13. Terugvordering

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 14. Beperking noodzaak

De ouder en diens eventuele partner zijn verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat de noodzaak tot het afnemen van kinderopvang vanwege een Sociaal Medische Indicatie zowel in omvang als in duur zo beperkt mogelijk is. Hierbij kan gedacht worden aan het meewerken aan noodzakelijke behandelingen of het gebruik maken van mogelijkheden om de eventuele werktijden aan te passen. Hierin ligt ook de reden voor het opstellen van en meewerken aan een integraal plan met de daartoe aangewezen organisatie en/of team Jeugd.

Artikel 15. Inlichtingenplicht

De ouder verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak op de tegemoetkoming van belang zijn.

Als de ouder en of diens partner nalaat informatie te verstrekken kan er bijvoorbeeld sprake zijn van het schenden van de inlichtingenplicht als:

  • 1.
    het betreffende kind minder of geen gebruik maakt van kinderopvang of
  • 2.
    de situatie van belanghebbende, diens partner en het kind is gewijzigd waardoor men niet meer voor een tegemoetkoming in aanmerking komt.

Als de inlichtingenplicht is geschonden en als gevolg hiervan ten onrecht een tegemoetkoming is ontvangen of een te hoog bedrag aan tegemoetkoming is ontvangen, wijzigt of trekt het college de beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming in en kan het teveel betaalde bedrag teruggevorderd of ingevorderd worden. Hetzelfde geldt als op andere gronden blijkt dat de tegemoetkoming ten onrechte is toegekend of dat er een te hoog bedrag aan tegemoetkoming is toegekend. Zie ook het artikel 10, het niet voldoen aan de inlichtingenplicht is een weigeringsgrond.

Artikel 16.

Het college kan besluiten een subsidieplafond in te stellen en doet dit bij collegebesluit of het vaststellen van nadere regels.

Artikel 17. Hardheidsclausule

Door gebruik te maken van deze hardheidsclausule kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van een persoon afwijken van de bepalingen van deze beleidsregel. Het gebruik van de hardheidsclausule moet worden beschouwd als een uitzondering op de regel.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt inwerking op 1 mei 2017, na bekendmaking op de gebruikelijke wijze.

Artikel 19. Overgangsrecht

Aanvragen waarvan de ingangsdatum vóór 1 mei 2017 ligt, zullen beoordeeld worden conform de geldende beleidsregels tot 1 mei 2017.