Officiele publicatie

Regeling bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen gemeente Meerssen 2017

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen,

gelet op het bepaalde in artikel 4.17 van de Wet basisregistratie personen en titel 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht,

gelet op de circulaire bestuurlijke boete van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 januari 2014 en de handreiking bestuurlijke boete van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken,

overwegende dat het wenselijk is om burgers aan te zetten tot het nakomen van verplichtingen die de Wet basisregistratie personen aan hen oplegt, om fraude en andere onwenselijke gedragingen rondom die verplichtingen te voorkomen en te bestrijden,

overwegende dat het wenselijk is om de kwaliteit van de gegevens over de ingeschrevenen in de Basisregistratie personen verder te verhogen,

overwegende dat het wenselijk is om de uitvoering van het handhavingsinstrument van de bestuurlijke boete uit artikel 4.17 van de Wet basisregistratie personen voor de gemeente Meerssen in een beleidsregel vast te leggen,

besluit:

de navolgende beleidsregels vast te stellen ten behoeve van een nader uitvoeringsbeleid voor de oplegging van een bestuurlijke boete:

Artikel 1 – Begripsbepalingen

  • a.
    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen;
  • b.
    wet: Wet basisregistratie personen;
  • c.
    Awb: Algemene wet bestuursrecht;
  • d.
    ingeschrevene: de ingeschrevene als bedoeld in artikel 1.1 sub e van de wet;
  • e.
    boete: de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 4.17 van de wet;
  • f.
    overtreder: degene die verwijtbaar niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 4.17 onder a van de wet dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 4.17 onder b van de wet of een valse aangifte heeft gedaan;
  • g.
    gelegenheidsgever: de persoon als bedoeld in artikel 4.17 sub b van de wet;
  • h.
    toezichthouder BRP: door het college aangewezen ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burgers in hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 5 van de wet.

Artikel 2Algemene bepalingen

1.

Het college kan de boete opleggen bij een overtreding genoemd in artikel 4.17 van de wet.

2.

De boete als bedoeld om het eerste lid wordt alleen opgelegd als de overtreder vooraf is geïnformeerd over het risico van oplegging van een bestuurlijke boete bij het niet voldoen aan de verplichtingen als genoemd in de wet.

3.

Per geconstateerde overtreding kan slecht één bestuurlijke boete worden opgelegd.

4.

Een bestuurlijke boete wordt binnen drie jaar nadat het college de overtreding heeft geconstateerd, opgelegd.

5.

In het geval de verplichtingen als bedoeld in de wet dienen te worden vervuld door een wettelijke vertegenwoordiger of curator wordt de bestuurlijke boete in voorkomend geval opgelegd aan de wettelijk vertegenwoordiger of curator.

6.

Indien de overtreder vóór inning van de opgelegde bestuurlijke boete komt te overlijden, vervalt deze op de datum van overlijden.

Artikel 3 – Vastgestelde boetes voor verschillende overtredingen

1.

De boete bedraagt € 325,– in de volgende gevallen:

  • a.
    als het aannemelijk is, dat de aangifteverplichting opgenomen in de artikelen 2.38, 2.39, 243 van de wet, bewust niet is nagekomen;
  • b.
    als de overtreder eerder een overtreding heeft begaan, waarvoor de boete opgelegd kan worden;
  • c.
    als de overtreder aan te merken is als gelegenheidsgever in de zin van artikel 4.17 sub b van de wet;
  • d.
    als de overtreder onjuiste aangifte heeft gedaan met valse documenten.
2.

De boete bedraagt € 200,– in de volgende gevallen:

  • a.
    als niet aannemelijk is gemaakt dat de aangifteverplichting, genoemd in de artikelen 2.38, 2.39, 2.43 van de wet, bewust niet is nagekomen;
  • b.
    als de overtreder geen informatie verstrekt, geschriften overlegt of in persoon verschijnt overeenkomstig het bepaalde in artikelen 2.44, 2.45 lid 1, 2.46, 2.47 en 2.51 van de wet;
  • c.
    als de overtreder niet voldoet aan informatie- of zorgplicht jegens ingeschrevene of gemeente op grond van artikelen 2.40 vijfde lid, 2.45 leden 2 tot en met 5 en 2.50 van de wet;
  • d.
    bij niet voldoen aan de identiteitsplicht zoals genoemd in artikel 2.52 van de wet.

Artikel 4 – Verwijtbaarheid

1.

Een bestuurlijke boete kan alleen opgelegd worden wanneer het de persoon verweten kan worden dat hij de overtreding heeft begaan.

2.

Als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, wordt geen boete opgelegd.

3.

Het ontbreken van verwijtbaarheid wordt in beginsel niet aangenomen, in de volgende situaties waarin de overtreder:

  • a.
    al eerder eenzelfde overtreding in de zin van artikel 4.17 Wet BRP heeft begaan;
    de inhoud van de correspondentie van de gemeente niet zegt te begrijpen, daaronder mede begrepen vanwege (vast) gestelde onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal;
  • b.
    stelt niet op de hoogte zijn van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4.17 van de wet;
  • c.
    niet aantoonbaar stelt reeds in een eerder stadium aan zijn verplichting te hebben voldaan;
  • d.
    stelt langere tijd niet in staat te zijn geweest zijn belangen te behartigen, doordat hij tijdelijk niet op het adres zegt te wonen. Hieronder wordt ook begrepen tijdelijk verblijf in het buitenland, tijdelijk verblijf in instelling voor de gezondheidszorg, instelling op het gebied van kinderbescherming of penitentiaire instelling;
  • e.
    stelt door slechte postbezorging of gebreken aan of ontbreken van een brievenbus geen post te hebben ontvangen;
  • f.
    aangemerkt wordt als gelegenheidsgever, die een verklaring heeft getekend dat de andere persoon woont op zijn adres, terwijl vastgesteld is dat hij er niet woont;
  • g.
    aangemerkt wordt als gelegenheidsgever in de zin van sub g van dit artikel en stelt dat de andere persoon niet langer op het adres woont, terwijl hij niet aantoont dat de andere persoon recentelijk verhuisd is naar een ander adres of vertrokken is naar het buitenland en daarvan nog niet binnen de wettelijke termijn als bedoeld in artikel 2.39 en 2.43 van de wet aangifte heeft gedaan.

Artikel 5 – Valsheid in geschrifte

1.

Indien een tot aangifte verplicht persoon een valse of vervalste aangifte doet, zich uitgeeft voor iemand anders dan wel valse of vervalste documenten overlegt met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken is er sprake van valsheid in geschrifte.

2.

In geval van valsheid in geschrifte wordt hiervan aangifte bij de politie gedaan.

3.

Er wordt geen bestuurlijke boete opgelegd in geval er strafvervolging plaats vindt.

Artikel 6 – Hardheidsclausule

Als vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van het bepaalde in deze regeling zou leiden tot een onbillijkheid, kan worden afgeweken van het bepaalde in deze regeling.

Artikel 7 – Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Regeling bestuurlijke boete Wet basisregistratie personen gemeente Meerssen 2017’.

Artikel 8 – Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking na publicatie.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 9 mei 2017 van burgemeester en wethouders,
De burgemeester
M.A.H. Clermonts-Aretz
De gemeentesecretaris
J.J.M. Eurlings

Toelichting op de beleidsregels bestuurlijke boete Wet BRP gemeente Meerssen 2017

Algemeen

Sinds 6 januari 2014 is de Wet basisregistratie personen van kracht. Deze nieuwe wet vervangt de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Personen (Wet GBA) en biedt de gemeente een aantal nieuwe instrumenten voor de handhaving van de plichten die de burgers op grond van de nieuwe wetgeving hebben (tijdige aangifte van vestiging, verhuizing, emigratie, overleggen van bescheiden, voldoen aan de informatieplicht, etc.). Een en ander ten behoeve van de borging en/of verbetering van de kwaliteit, integriteit en betrouwbaarheid van de in de basisregistratie opgenomen gegevens.

Bestuurlijke boete

De nieuwe Wet basisregistratie personen introduceert de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete in het geval de burger (verwijtbaar) niet aan de verplichtingen als bedoeld in deze Wet voldoet. Het heffen van de bestuurlijke boete is geen doel op zich. Het moet de burgers aanzetten tot het nakomen van de verplichtingen die de Wet aan hen oplegt.

De bestuurlijke boete is een handhavingsinstrument in het bestuursrecht. Het is een boete die een bestuursorgaan of toezichthouder kan opleggen voor een overtreding van een wettelijke regel. De opgelegde sanctie is onvoorwaardelijk. Dat betekent, dat de opgelegde boete niet kan worden ingetrokken of gewijzigd als alsnog aan de verplichtingen wordt voldaan. Tegen het opleggen van de bestuurlijke boete is wel bezwaar en beroep mogelijk.

Titel 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht is onverkort van toepassing.

In deze titel is onder meer bepaald wanneer een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wie de boete oplegt, hoe de boete wordt opgelegd en wanneer de opgelegde boete vervalt. Ook is bepaald dat het opleggen van een boete een wettelijke grondslag vereist. De Wet BRP voorziet hierin door het bepaalde in artikel 4.17:

Het college van burgemeester en wethouders kan een bestuurlijke boete van ten hoogste 325 euro opleggen:

  • a.
    ter zake van overtreding van de artikelen 2.38, 2.39, 2.40, vijfde lid, 2.43 tot en met 2.47, 2.50, 2.51 en 2.52;
  • b.
    aan degene met een woonadres in de gemeente die bewust toelaat dat een andere persoon met datzelfde woonadres is ingeschreven, terwijl hij weet dat dit onjuist is.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 – Begripsbepalingen

In dit artikel zijn de in de regeling gebruikte begrippen nader gedefinieerd en is aansluiting gezocht bij de wettelijke begripsomschrijvingen,die van toepassing zijn.

Artikel 2 – Algemene bepalingen

Op grond van het bepaalde in artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht kan één overtreding slechts één maal worden beboet. Als de burger geen aangifte doet van adreswijziging en vervolgens niet verschijnt als het college hem daartoe verplicht, dan zijn er in feite twee overtredingen begaan. Het kan echter buiten proportie zijn om dan twee boetes op te leggen. Overweging kan dan zijn om ‘slechts’ één boete op te leggen. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt driejaar nadat de overtreding is begaan (artikel 5:45 Algemene wet bestuursrecht). Het is dus van belang te bepalen op welke datum de overtreding van een verplichting op grond van de Wet basisregistratie personen is begaan. Uitgangspunt is, dat de overtreding wordt begaan op het moment, dat het college constateert, dat niet aan de wettelijke verplichtingen is voldaan. Na overtreding van de aangifteplicht bijvoorbeeld blijft de overtreding actueel. Elke dag, dat de burger in gebreke blijft, overtreedt hij de wet. De termijn schuift daarmee dus ook op.

In het geval de verplichtingen van de Wet basisregistratie personen rusten op de wettelijke vertegenwoordigers van minderjarigen tot 16 jaar of onder curatele gestelden, wordt de bestuurlijke boete opgelegd aan die wettelijk vertegenwoordiger(s) of de curator. De minderjarige bijvoorbeeld is niet bevoegd om zelf aangifte van verhuizing te doen, terwijl aan hem ook niet de verplichting tot het overleggen van (bron)documenten kan worden opgelegd. Die verplichtingen rusten op de wettelijk vertegenwoordiger of de curator, die op deze verantwoordelijkheid (middels oplegging van een bestuurlijke boete) kunnen worden aangesproken.

Een bestuurlijke boete kan niet worden opgelegd aan een overtreder die reeds is overleden. In artikel 5:42 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald, dat de opgelegde boete vervalt als deze bij leven van de overtreder is opgelegd, maar voor inning van het opgelegde boetebedrag komt te overlijden.

Artikel 3 – Vastgestelde boetes voor verschillende overtredingen

In het bestuursrecht wordt onderscheid gemaakt tussen lage- en hoge bestuurlijke boeten. Voor lage bestuurlijke boeten gelden minder voorschriften en administratieve regels dan voor hogere boeten. De grens ligt op € 340,–. Om onnodige administratieve lasten te voorkomen, heeft de wetgever voor het opleggen van boeten ingevolge de Wet basisregistratie personen gekozen voor een maximum boetebedrag van € 325,–.

Bij de vaststelling van de hoogte van de boete heeft de gemeente rekening gehouden met de soort overtreding, de ernst van de overtreding, de soort overtreder, het belang voor de BRP bij het nakomen van de verplichtingen. De hogere boete is vastgesteld voor gevallen die gezien één of meer van deze elementen als ernstiger wordt aangemerkt. De standaardboete wordt opgelegd in overige gevallen.

Onderstaand een overzicht van de beboetbare overtredingen en de hoogte van de bestuurlijke boete.

Overtreding Migratie

Boete

Wetsartikelen

Het niet doen van aangifte van inschrijving uit het buitenland

€ 325,–

Wet BRP 2.38, eerste, tweede en vierde lid

Het niet doen van aangifte van emigratie

€ 325,–

Wet BRP 2.43

Het niet doen van aangifte nieuwe verblijfplaats binnen Nederland

€ 325,–

Wet BRP 2.39, eerste lid

Ten onrechte adreswijziging naar een briefadres opgeven terwijl er sprake is van een woonadres

€ 325,–

Wet BRP 2.39 derde lid

Gelegenheidsgever

€ 325,–

Wet BRP 4.17 onder b

Overtreding brondocumenten/verstrekken informatie

Boete

Wetsartikelen

Het niet overleggen van brondocumenten betreffende burgerlijke staat of nationaliteit in verband met vestiging uit het buitenland

€ 200,–

Wet BRP 2.38, derde lid

Het niet overleggen van brondocumenten van feiten die zich buiten Nederland hebben voorgedaan en in de BRP opgenomen moeten worden

€ 200,–

Wet BRP 2.44

Het nalaten door de briefadresgever om inlichtingen te verstrekken op verzoek van het gemeentebestuur over de briefadreshouder

€ 200,–

Wet BRP 2.45 vierde lid

Het niet voldoen aan informatie- of zorgplicht jegens ingeschrevene of gemeente

€ 200,–

Wet BRP 2.40 vijfde lid, 2.45 leden 2 t/m 5 en 2.50

Het niet verstrekken van inlichtingen over een mogelijke adreswijziging

€ 200,–

Wet BRP 2.47

Het niet overleggen van brondocumenten betreffende burgerlijke stand of nationaliteit op verzoek van het gemeentebestuur

€ 200,–

Wet BRP 2.46

Het niet overleggen van een buitenlandse overlijdensakte

€ 200,–

Wet BRP 2.51

Het niet voldoen aan de identiteitsplicht

€ 200,–

Wet BRP 2.52

Aangifte met valse documenten

Boete

Wetsartikelen

Onjuiste aangifte met overlegging van valse documenten

€ 325,–

Wet BRP 2.38, 2.39 en 2.43 juncto 2.45

Overig

Overtreder heeft eerder een overtreding begaan waarvoor de boete opgelegd kan worden (recidive)

€ 325,–

Alle artikelen

Artikel 4 – Verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden

Een bestuurlijke boete kan alleen worden opgelegd als er sprake is van verwijtbaar gedrag. Het gat hierbij om objectieve en subjectieve verwijtbaarheid.

Bij objectieve verwijtbaarheid gaat het om het handelen of nalaten van betrokkene, heeft betrokkene feitelijk een wettelijke regel overtreden? Bepalend daarbij is of er op hem een verplichting rustte op grond van de Wet BRP. Als uit een geheel van feiten omstandigheden blijkt dat op hem geen verplichting rustte, is er geen reden tot opleggen van de boete. Of er sprake is van objectief verwijtbaar gedrag blijkt uit het dossier op grond waarvan uiteindelijk een boete wordt opgelegd. Als kan worden vastgesteld dat de burger niet voldaan heeft aan zijn verplichting, wordt de verwijtbaarheid van de gedraging in beginsel aangenomen.

Bij subjectieve verwijtbaarheid gaat het om de persoon zelf: wist of kon hij redelijkerwijs weten, dat hij een verplichting had moeten nakomen? Afhankelijk van de feiten en omstandigheden waarin de burger zich ten tijde van de verplichting bevond, bepaalt de gemeente en eventueel de rechter of er sprake is van een overmacht situatie, waardoor het de burger op subjectieve gronden niet verweten kan worden dat hij niet aan zijn verplichting voldoet. Een voorbeeld daarvan kan zijn een spoedopname in een ziekenhuis, waardoor iemand niet tijdig aan zijn verplichting kan voldoen. Hierbij is het wel van belang dat de overtreder zo snel mogelijk nadat hij ontslagen is uit het ziekenhuis alsnog aan zijn verplichting voldoet. Blijft hij nalatig in het voldoen aan deze verplichting, dan is hij immers nog steeds in overtreding, terwijl de subjectieve omstandigheden waardoor het nalaten niet verwijtbaar was, niet meer aanwezig zijn.

In het tweede lid is bepaald in welke situaties het ontbreken van verwijtbaarheid in beginsel niet aangenomen wordt. Dit is een niet-limitatieve lijst van omstandigheden. Dat betekent dat er ook andere omstandigheden kunnen worden aangevoerd, die niet leiden tot het ontbreken van verwijtbaarheid.

De omstandigheden leiden niet tot het ontbreken van verwijtbaarheid om de volgende redenen:

  • 1.
    de onder a genoemde omstandigheid geeft aan dat de overtreder die eerder een overtreding die genoemd is in artikel 4.17 Wbrp heeft begaan, verwijtbaar handelt als hij het nogmaals doet. Deze bepaling is opgenomen omdat de overtreder in dat geval wist of kon weten dat burgemeester en wethouders de bevoegdheid hebben om een boete op te leggen voor de overtreding. In geval van overtreding wordt de overtreder namelijk gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat een boete kan worden opgelegd;
  • 2.
    de onder b genoemde omstandigheid heeft geen ontbreken van de verwijtbaarheid tot gevolg, omdat van elke burger in de gemeente verwacht mag worden dat hij ervoor zorgt dat hij correspondentie van de gemeente begrijpt, dan wel daarbij de hulp inroept van een ander, die zorgt dat betrokkene de inhoud van de correspondentie begrijpt. Dit geldt ook voor de situatie dat betrokkene de Nederlandse taal onvoldoende machtig is;
  • 3.
    de onder c genoemde omstandigheid leidt niet tot het ontbreken van de verwijtbaarheid, omdat de burger geacht wordt de wet te kennen. Daarnaast wordt de burger ook geïnformeerd over de op te leggen boete door middel van correspondentie voorafgaande aan het opleggen van de boete of mondelinge waarschuwingen in geval van boete oplegging op grond van een boeterapport. Het feit dat de overtreder deze correspondentie niet heeft gelezen of gezien, omdat hij inmiddels niet meer woont op het adres waar hij volgens de basisregistratie personen (BRP) stond ingeschreven, zorgt niet voor het ontbreken van verwijtbaarheid. Zolang de burger namelijk niet zijn verhuizing doorgeeft overeenkomstig zijn verplichting, kan en mag de gemeente ervan uitgaan dat de burger bereikbaar is op het adres waar hij in de BRP staat ingeschreven;
  • 4.
    de onder d genoemde omstandigheid dat de burger stelt eerder aan zijn verplichting voldaan te hebben ontslaat hem niet van het ontbreken van verwijtbaarheid, als hij niet aantoont dat hij eerder aan zijn verplichting heeft voldaan. De burger zal moeten aantonen dat hij eerder aan zijn verplichting heeft voldaan, maar dat dit niet geleid heeft tot een aanpassing in de BRP. De burger zal met schriftelijke bewijzen moeten komen dat hij vóór de datum van de constatering van de overtreding voldaan heeft aan zijn verplichting. Hierbij zal hij moeten aantonen dat de aangifte of informatie inzake adres of het overleggen van de verzochte documenten is ontvangen bij de gemeente of dat hij ervan uit mocht gaan dat dit het geval was. Mondelinge (getuige) verklaringen dat de burger aan zijn verplichting heeft voldaan zijn onvoldoende, omdat hieruit niet blijkt dat de gemeente kennis had kunnen nemen van het voldoen aan de verplichting. Het is onvoldoende dat de burger aangeeft de intentie gehad te hebben om aan zijn verplichting te voldoen. De burger zal aannemelijk moeten maken dat de documenten vóór de datum van overtreding zijn verstuurd naar een correspondentieadres van de gemeente Meerssen. Het is onvoldoende dat de burger correspondentie, al dan niet per e-mail, toont dat gericht is aan een adres dat of geen adres van de gemeente Meerssen is, of wel een adres van de gemeente Meerssen is, maar dat niet leidt of kan leiden tot een verplichting tot doorzending van het bericht naar het daarvoor bevoegde onderdeel van de gemeente;
  • 5.
    de onder e genoemde omstandigheid dat de burger langere tijd elders op een adres verblijft, zorgt niet voor het ontbreken van verwijtbaarheid. De burger wordt geacht bereikbaar te zijn op het adres waar hij ingeschreven staat in de BRP. Indien hij tijdelijk, ongeacht de reden, niet in staat is om zijn post te lezen, dan moet hij zorgen dat een ander dit namens hem doet;
  • 6.
    voor de onder f bedoelde omstandigheid geldt hetzelfde: de burger wordt geacht bereikbaar te zijn op zijn adres. Dat betekent ook dat hij moet zorgen dat hij zijn post kan ontvangen. Derhalve moet de brievenbus bereikbaar en aanwezig zijn. Ten aanzien van slechte postbezorging geldt dat de burger meerdere malen op de hoogte wordt gesteld van de mogelijkheid van het opleggen van de boete. Het is niet aannemelijk dat de burger beide brieven waarin de waarschuwing vermeld staat niet ontvangt. Bovendien vloeien de verplichtingen en de oplegging van bestuurlijke boete voort uit de BRP. Op die gronden wordt de burger geacht te weten dat hij aan zijn verplichting moet voldoen en dat bij het nalaten daarvan een bestuurlijke boete opgelegd kan worden;
  • 7.
    uit de ondertekening van inwoning blijkt in geval van de onder g genoemde omstandigheid dat de burger verwijtbaar handelt door te verklaren dat een ander persoon woont op het adres en weet dat hij niet op dat adres woonachtig is;
  • 8.
    de onder h genoemde omstandigheid dat de gelegenheidsgever stelt dat de ingeschrevene er niet meer woont, ontslaat hem niet van verwijtbaarheid, als hij niet aantoont dat de andere persoon recentelijk verhuisd is naar een ander adres of vertrokken is naar het buitenland en daarvan nog niet binnen de wettelijke termijn als bedoeld in de artikelen 2.39 en 2.43 van de wet aangifte heeft gedaan. De gelegenheidsgever zal moeten aantonen dat betrokkene tot de verhuisdatum daadwerkelijk gewoond heeft op het adres en dat binnen de wettelijke termijn voor de constatering van de overtreding is verhuisd naar een ander adres of is vertrokken naar het buitenland, waarvan hij geen aangifte heeft gedaan. Het gaat in dit geval om het toestemming geven voor een woonadres. De feitelijke bewoning van betrokkene zal dan ook bewezen moeten worden. Derhalve is het onvoldoende dat de gelegenheidsgever met post aangeeft dat de ander tot de datum van verhuizing gewoond heeft op het adres. Dit bewijst namelijk alleen dat de burger gebruik maakte van het adres als postadres.

Artikel 5 – Valsheid in geschrifte

Er is sprake van valsheid in geschrifte wanneer iemand een geschrift, dat bestemd is om als bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken. Uit deze wettelijke definitie blijkt, dat het om een schriftelijk document moet gaan, dat een bewijsbestemming heeft, dat valselijk is opgemaakt of vervalst met de intentie het als echt en onvervalst te gaan gebruiken. Ook het opzettelijk gebruiken van een door iemand anders valselijk opgemaakt of vervalst geschrift is valsheid in geschrifte.

Bij een valse aangifte als hier bedoeld kan een bestuurlijke boete worden opgelegd, vanwege overtreding van de aangifteplicht. Er dient dan wel rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 5:44 van de Algemene wet bestuursrecht. Als er naast het overtreden van de aangifteplicht tevens sprake is van valsheid in geschrifte, dient de zaak eerst aan het Openbaar Ministerie (OM) te worden voorgelegd. Besluit het OM niet strafrechtelijk te vervolgen, dan kan alsnog een bestuurlijke boete worden opgelegd. Er dient in een dergelijk geval dus aangifte van valsheid in geschrifte bij de politie te worden gedaan. Daarna moet er met het OM worden overlegd: of strafvervolging of een gemeentelijke bestuurlijke boete. Op grond van genoemd artikel 5:44 mag voor hetzelfde feit niet beide sancties worden opgelegd.

Artikel 6 – Hardheidsclausule

Van het opleggen van een boete kan worden afgezien, als er sprake is van bijzondere omstandigheden.

De Algemene wet bestuursrecht eist dat alle bij een besluit betrokken belangen worden afgewogen, het toepassen van de hardheidsclausule maakt hiervan deel uit. Het gaat erom dat de regeling niet ‘automatisch’ wordt toegepast, zonder te kijken naar de specifieke omstandigheden van het geval.

In afwijking van artikel 3 kan het college op verzoek een lagere of geen boete opleggen indien het college van oordeel is dat de vastgestelde boete redelijkerwijs niet of niet volledig ten laste van de overtreder behoort te blijven.

In beginsel leggen burgemeester en wethouders de boete op zoals bepaald in artikel 3 van de regeling. Bij de toepassing van het opleggen van de boete moeten burgemeester en wethouders rekening houden met het bepaalde in artikel 5:46 Awb. Dit artikel behandeld de evenredigheid van de boete die het bestuursorgaan in acht moet nemen bij niet wettelijk vastgelegde boetes.

Burgemeester en Wethouders moeten bij het opleggen van de boete, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Indien vaststaat dat de overtreding is begaan, mogen burgemeester en wethouders ervan uitgaan dat de boete zoals bepaald in artikel 3 van de regeling evenredig is. In dat geval staat verwijtbaarheid van de gedraging of het nalaten vast en kan de boete gezien de hoogte van het bedrag niet tot gevolg hebben dat de burger daardoor onevenredig getroffen wordt.

Ernst van de overtreding

In artikel 3 van de Regeling is aangegeven welke overtredingen burgemeester en wethouders zien als ernstige overtredingen en welke overtredingen als minder ernstig worden gezien. Bij de oplegging van de boetes zal hier ook van uitgegaan worden.

Verwijtbaarheid

In het geval dat er bijzondere omstandigheden zijn waaronder de overtreding is begaan, die tot gevolg hebben dat het de overtreder in dit geval minder verweten kan worden dat hij de overtreding heeft begaan, kan de boete op deze grond gematigd worden. Hierbij is onder meer bepalend wat er staat in artikel 4 van deze regeling en de toelichting daarop.

Draagkracht

Draagkracht kan een rol spelen bij het opleggen van de bestuurlijke boete. Van burgemeester en wethouders wordt niet verwacht dat het steeds zelf onderzoek moet instellen naar de draagkracht van betrokkene.

In de meeste gevallen zullen burgemeester en wethouders ervan uit mogen gaan dat de draagkracht geen beletsel vormt voor het opleggen van de boete. Als de overtreder aangeeft dat het opleggen van de boete voor hem wel onevenredige gevolgen heeft, dan zal hij dit door middel van stukken aan moeten tonen. Onvoldoende is dat de overtreder in algemene zin aangeeft onevenredig getroffen te zijn.

In de meeste gevallen zal, gezien de hoogte van de boete, de mogelijkheid tot gespreide betaling niet leiden tot matiging ervan. Als er besloten wordt tot matiging, zal voorkomen moeten worden dat de matiging het sanctionerende karakter van de boete te niet doet. Daarom zal er door matiging niet een dermate lage boete opgelegd kunnen worden, dat de boete niet meer als sanctie werkt.