Officiele publicatie

Gemeenschappelijke regeling Omnibuzz

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beek, Echt-Susteren, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Schinnen, Sittard-Geleen, Stein, Vaals en Valkenburg aan de Geul, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn:

Overwegende

  • dat de colleges van voornoemde gemeenten per 8 december 2005 de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz zijn aangegaan en welke regeling laatstelijk is gewijzigd per 1 januari 2015;
  • dat de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beesel, Bergen, Brunssum, Gennep, Heerlen, Horst aan de Maas, Kerkrade, Landgraaf, Leudal, Maasgouw, Maastricht, Nederweert, Nuth, Onderbanken, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Simpelveld, Venlo, Venray, Voerendaal en Weert het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz verzocht hebben om tot de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz te kunnen toetreden;
  • dat overleg met de nieuwe toetreders heeft geleid tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz;
  • dat de samenwerking is gericht op het gezamenlijk nu en in de toekomst uitvoering geven aan het aan de gemeenten wettelijk opgedragen doelgroepenvervoer in de provincie Limburg;

Gelet op

  • artikel 21 van deze gemeenschappelijke regeling
  • de Wet gemeenschappelijke regelingen
  • de Gemeentewet
  • de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
  • de Wet op het primair Onderwijs
  • de Wet op het voortgezet onderwijs
  • de Wet op de expertisecentra.

Gelezen

  • de toestemmingsbesluiten van de raden van alle hierboven genoemde gemeenten tot het toetreden respectievelijk het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz.

BESLUITEN

De gemeenschappelijke regeling Omnibuzz te wijzigen, waardoor deze als volgt komt te luiden:

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

a. regeling:

de gemeenschappelijke regeling Omnibuzz;

b. wet:

de Wet gemeenschappelijke regelingen;

c. college(s):

het/de college(s) van burgemeester en wethouders die deze regeling hebben getroffen;

d. de gemeente(n):

de gemeente(n) waarvan het/de college(s) deze regeling heeft/hebben getroffen;

e. de ra(a)d(en):

de gemeentera(a)de(en) van de gemeente(n);

f. gedeputeerde staten:

het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg;

g. doelgroepenvervoer:

de niet-openbare vervoerssystemen waarvoor de gemeenten op grond van specifieke wet- en regelgeving verantwoordelijk zijn.

Artikel 2 Openbaar lichaam

1.

Voor de uitvoering van deze regeling wordt een openbaar lichaam in de zin van artikel 8. lid 1 van de wet ingesteld.

2.

Het openbaar lichaam is genaamd ‘Omnibuzz’ en is gevestigd te Geleen.

HOOFDSTUK 2 BELANG, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

Artikel 3 Te behartigen belang

1.

Het openbaar lichaam is ingesteld in het belang van een kwalitatief hoogwaardige en een zo doelmatig mogelijke gezamenlijke regie op en uitvoering van het aan de gemeenten opgedragen doelgroepenvervoer.

2.

Ter bevordering van het te behartigen belang dragen de colleges, voor zover nog niet geschied, daartoe de regie over en de uitvoering van het doelgroepenvervoer op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Wet op het primair Onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra met ingang van 11 december 2016 op aan Omnibuzz.

3.

Gelet op de ambitie van de samenwerking zullen de colleges in beginsel ook toekomstige opdrachten met betrekking tot doelgroepenvervoer die voortkomen uit wet- en regelgeving opdragen aan Omnibuzz.

4.

Voor zover de gemeenten nog lopende verplichtingen naar andere partijen hebben ten aanzien van het leerlingenvervoer, dragen deze gemeenten de regie en de uitvoering van hun leerlingenvervoer op aan Omnibuzz, zodra aan de bestaande verplichtingen een einde komt.

5.

Het te behartigen belang kan ook inhouden dat gemeenten, al dan niet tezamen, de regie en uitvoering van doelgroepenvervoer op basis van andere wet- en regelgeving dan vermeld in de leden twee en drie van dit artikel opdragen aan Omnibuzz. Hiertoe zal in een dergelijke situatie een dienstverleningsovereenkomst gesloten worden tussen de betreffende gemeente(n) en het openbaar lichaam.

6.

Met toestemming van het dagelijks bestuur kan Omnibuzz andere vormen van groepsvervoer voor derden, niet zijnde gemeenten, regelen en uitvoeren. Hiertoe zullen afzonderlijke dienstverleningsovereenkomsten gesloten worden tussen de betreffende derde(n) en het openbaar lichaam.

Artikel 4 Werkzaamheden

1.

Ter behartiging van het in artikel 3 genoemde belang verricht het openbaar lichaam voor de gemeenten, de volgende werkzaamheden:

  • a.
    het voeren van regie over en het uitvoeren van het doelgroepenvervoer voor de gemeenten en eventueel voor derden;
  • b.
    het voeren van overleg met stakeholders, in het bijzonder met de provincie Limburg, om te komen tot een zo optimaal mogelijk doelgroepenvervoer in de provincie Limburg;
  • c.
    alle overige werkzaamheden welke ter behartiging van het in artikel 3 genoemde belang noodzakelijk zijn.
2.

De in het voorgaande lid vermelde werkzaamheden zullen nader worden neergelegd in dienstverleningsovereenkomsten tussen de betreffende gemeenten en het openbaar lichaam Omnibuzz.

3.

Het algemeen bestuur zal daartoe de algemene uitgangspunten voor en voorwaarden van die dienstverleningsovereenkomsten vaststellen.

HOOFDSTUK 3 BESTUUR: ORGANEN, SAMENSTELLING, WERKWIJZE, BEVOEGDHEDEN

Artikel 5 Algemeen bestuur: samenstelling

1.

Het algemeen bestuur bestaat uit één lid van elke gemeente, dat evenals diens plaatsvervanger, per gemeente door het college uit zijn midden, wordt aangewezen.

2.

De colleges beslissen in de eerste vergadering van hun wettelijke zittingsperiode en na inwerkingtreding van de wijziging van de regeling over de aanwijzing als bedoeld in het vorige lid.

3.

Indien tussentijds een vacature in het algemeen bestuur ontstaat, wijst het betreffende college zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid.

4.

Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt als de zittingsperiode van het college afloopt, of indien de zittingsperiode van het college tussentijds beëindigd wordt of indien het lidmaatschap van het college, waaruit het betreffende lid afkomstig is, tussentijds beëindigd wordt.

5.

Een college kan een door hem aangewezen lid ontslaan door het vertrouwen op te zeggen.

6.

In geval van het bestaan van een of meer vacatures blijft het algemeen bestuur bevoegd besluiten te nemen.

Artikel 6 Algemeen bestuur: werkwijze

1.

Het algemeen bestuur vergadert ten minste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste zestien leden dit vragen onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen.

2.

Op de vergaderingen van het algemeen bestuur is artikel 22 van de wet van toepassing.

3.

In de vergaderingen heeft ieder lid één stem. Voor leden die een gemeente vertegenwoordigen waarvan het inwonertal meer dan 50.000 bedraagt, wordt het stemmenaantal vermeerderd met één stem voor iedere 20.000 inwoners meer. Voor berekening van het aantal inwoners wordt uitgegaan van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek opgemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het betreffende jaar.

4.

De besluiten van het algemeen bestuur worden genomen bij meerderheid van stemmen.

5.

Stemmen zijn niet overdraagbaar.

6.

Het algemeen bestuur stelt voor zijn werkzaamheden een reglement van orde vast.

Artikel 7 Algemeen bestuur: bevoegdheden

1.

De bevoegdheden die bij de regeling worden op- dan wel overgedragen, berusten bij het algemeen bestuur, tenzij bij wet of in de regeling anders is bepaald.

2.

Het algemeen bestuur kan besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam te brengen.

3.

Het algemeen bestuur kan met toepassing van de artikelen 24 en 25 van de wet commissies van advies dan wel belast met de behartiging van bepaalde belangen instellen.

Artikel 8 Algemeen bestuur: informatie en verantwoording

1.

Een lid van het algemeen bestuur kan door het college en door de raad van zijn gemeente ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

2.

Een lid van het algemeen bestuur geeft aan het college van zijn gemeente alle inlichtingen die door het college, of één of meer leden daarvan, worden verlangd op de in die gemeente gebruikelijke wijze.

3.

Het algemeen bestuur verstrekt aan de raden van de gemeenten de door één of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen.

Artikel 9 Dagelijks bestuur: samenstelling

1.

Het dagelijks bestuur bestaat uit zeven leden, waaronder de voorzitter.

2.

De leden van het dagelijks bestuur worden door en vanuit het algemeen bestuur op de volgende wijze aangewezen:

  • drie leden op voordracht door en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de gemeenten uit Noord- en Midden-Limburg en
  • vier leden op voordracht door en uit de leden van het algemeen bestuur die zijn aangewezen door de colleges van de gemeenten uit Zuid-Limburg;
  • bij de bepaling van het aantal voor te dragen leden in de voorgaande verdeling wordt rekening gehouden met de gemeente waaruit het lid afkomstig is, die als voorzitter is aangewezen overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, lid 1 van de regeling.
3.

Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt, indien een lid als zodanig ontslag neemt of ontslagen wordt door het algemeen bestuur en zodra hij ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn.

4.

Het algemeen bestuur draagt in geval van een vacature zo snel mogelijk zorg voor de vervulling daarvan overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van dit artikel.

Artikel 10 Dagelijks bestuur: werkwijze

1.

Het dagelijks bestuur vergadert in beginsel vier keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of twee der leden daarom verzoekt onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen.

2.

Indien in de vergaderingen van het dagelijks bestuur gestemd wordt over zaken en/of personen heeft ieder lid één stem. Indien in geval van een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de voorzitter.

3.

Het dagelijks bestuur kan de uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het algemeen bestuur wordt over de eventueel verleende mandaten geïnformeerd.

4.

Het dagelijks bestuur stelt voor zijn werkzaamheden een reglement van orde vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van het algemeen bestuur.

Artikel 11 Dagelijks bestuur: bevoegdheden

1.

Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd om:

  • a.
    al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd, voor te bereiden;
  • b.
    besluiten van het algemeen bestuur uit te voeren;
  • c.
    toezien op de voortgang van de realisering van het uitvoeringsplan;
  • d.
    beheer en administratie van de inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam te voeren;
  • e.
    regels te stellen met betrekking tot de inrichting en werkwijze van de uitvoeringsorganisatie;
  • f.
    medewerkers te benoemen, schorsen en te ontslaan;
  • g.
    het behandelen van bezwaarschriften met betrekking tot personele aangelegenheden;
  • h.
    tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 7, lid 2 van de regeling;
  • i.
    te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;
  • j.
    zowel in als buiten rechte conservatoire maatregelen te nemen en alles te doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;
  • k.
    klachten te behandelen zoals bedoeld in titel 9.1 Algemene wet bestuursrecht.
2.

Het dagelijks bestuur oefent, indien het algemeen bestuur daartoe besluit en naar door dit bestuur te stellen regels, de aan het algemeen bestuur toekomende bevoegdheden uit met uitzondering van:

  • a.
    het vaststellen en wijzigen van de begroting;
  • b.
    het vaststellen van de rekening.
3.

Het dagelijks bestuur is niet bevoegd tot het behandelen van bezwaarschriften met uitzondering van het bepaalde in het eerste lid onder g. van dit artikel. Met betrekking tot eventueel ingediende bezwaarschriften die geen betrekking hebben op zaken als genoemd in het eerste lid, aanhef en onder g., zal het dagelijks bestuur handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 12 Dagelijks bestuur: informatie en verantwoording

1.

De leden van het dagelijks bestuur verstrekken zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk de door het algemeen bestuur of door een of meer leden daarvan gevraagde inlichtingen. Schriftelijk gevraagde inlichtingen worden zo mogelijk schriftelijk gegeven.

2.

De leden van het dagelijks bestuur leggen zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk verantwoording af aan het algemeen bestuur voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.

3.

Het dagelijks bestuur verstrekt aan de raden van de gemeenten de door één of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen.

4.

Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer geniet.

Artikel 13 Voorzitter

1.

De voorzitter, alsmede zijn plaatsvervanger, van het openbaar lichaam wordt in de eerste vergadering van elke zittingsperiode door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen.

2.

De voorzitter leidt de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

3.

Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

4.

De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte.

5.

De voorzitter tekent alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.

6.

De voorzitter verstrekt aan de raden van de gemeenten de door één of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen.

7.

Bij afwezigheid van de voorzitter wordt deze vervangen door zijn plaatsvervanger.

8.

In afwijking van het gestelde in de leden 1 en 2 van dit artikel wordt de eerste vergadering van het algemeen bestuur in een nieuwe zittingsperiode bijeengeroepen en voorgezeten door de aftredende voorzitter of zijn aftredende plaatsvervanger. Indien zulks niet mogelijk is treedt de burgemeester van de plaats van vestiging van het openbaar lichaam op als tijdelijk voorzitter. In deze vergadering vinden de benoemingen van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van het algemeen bestuur plaats, alsmede de benoemingen van de leden van het dagelijks bestuur.

HOOFDSTUK 4 ORGANISATIE EN PERSONEEL

Artikel 14 Directeur

1.

Aan het hoofd van de organisatie van het openbaar lichaam staat een directeur. Hij is belast met de dagelijkse leiding daarvan.

2.

De directeur wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het dagelijks bestuur.

3.

Het dagelijks bestuur stelt voor de taken en bevoegdheden van de directeur een directiestatuut vast. Dit statuut wordt aan het algemeen bestuur ter kennisneming verstrekt.

4.

In het directiestatuut wordt de vervanging van de directeur geregeld.

5.

De directeur staat het algemeen en dagelijks bestuur bij in hun functioneren. Hij woont als adviseur de vergaderingen van beide bestuursorganen bij.

6.

De directeur ondertekent mede alle stukken die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan.

7.

De directeur is verantwoording verschuldigd aan het dagelijks bestuur.

Artikel 15 Inrichting organisatie en personeel

1.

Het dagelijks bestuur stelt, gehoord de directeur, de inrichting en werkwijze van de organisatie vast.

2.

Het algemeen bestuur wordt over de inrichting en werkwijze van de uitvoeringsorganisatie in kennis gesteld.

3.

Het dagelijks bestuur benoemt het personeel van de organisatie op basis van een door de directeur opgesteld personeelsplan.

4.

Op het personeel van de organisatie is de CAR/UWO als rechtspositieregeling van toepassing.

5.

Het dagelijks bestuur stelt de wijzigingen vast van de CAR/UWO, alsmede de op de CAR/UWO gebaseerde uitvoeringsregelingen. Voorts vult het dagelijks bestuur deze aan, wijzigt deze of trekt deze uitvoeringsregelingen in, voor zover nodig na voorafgaand overleg met de commissie voor Georganiseerd Overleg van het openbaar lichaam Omnibuzz.

6.

Met inachtneming van de op het personeel van toepassing verklaarde rechtspositieregelingen, voert het dagelijks bestuur de rechtspositieregeling en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen uit. Het dagelijks bestuur kan deze bevoegdheid (waaronder het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel) aan de directeur mandateren.

HOOFDSTUK 5 FINANCIËN

Artikel 16 Algemeen

De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op de financiën van het openbaar lichaam, voor zover daarvan bij of krachtens de wet niet is afgeweken.

Artikel 17 Financiële en beleidsmatige kaders

Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting geldt, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de gemeenten.

Artikel 18 Financiering

1.

De kosten van personeel en beheer die voortvloeien uit het te behartigen belang en de werkzaamheden, zoals vermeld in de artikelen 3 en 4 van de regeling, met uitzondering van het bepaalde in de leden 3 tot en met 5 van artikel 3, zullen gedragen worden door de gemeenten op basis van de volgende verdeelsleutel:

  • a.
    50% naar rato van het aantal inwoners per gemeente op 1 januari van het jaar waarop die kosten betrekking hebben. Het aantal inwoners wordt bepaald op de cijfers van het CBS.
  • b.
    50% naar rato van het aantal gebruikers per gemeente op 1 januari van het jaar waarop die kosten betrekking hebben.
2.

Onder gebruiker, als genoemd in het vorige lid, wordt verstaan:

een door of namens een college geïndiceerde inwoner van de bettreffende gemeente die gebruik kan maken van het doelgroepenvervoer of een inwoner van een gemeente die rechtstreeks op grond van wet- of regelgeving en zonder tussenkomst van de gemeente aanspraak kan maken op een vervoersvoorziening en gebruik kan maken van het doelgroepenvervoer.

3.

Alle kosten verband houdende met de uitvoering van het vervoer op basis van deze regeling worden gedragen door de gemeenten op basis van het werkelijk gebruik daarvan door de inwoners van die gemeenten.

4.

De colleges zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om al zijn verplichtingen te kunnen voldoen.

5.

Indien het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de gemeentebegroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 193 en 194 van de Gemeentewet.

6.

In de eerste week van ieder nieuw kwartaal zullen de gemeenten een factuur ontvangen voor het betalen van een voorschot ter grootte van 25% van het voor hun berekende aandeel in de kosten. Deze factuur dient binnen 30 dagen te worden betaald. Na het verstrijken van deze 30 dagen is de betreffende gemeente de wettelijke rente verschuldigd over de periode dat haar aandeel niet is ontvangen.

Artikel 19 Begroting

1.

Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en bijbehorende stukken acht weken voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden toe aan de colleges en raden.

2.

De ontwerpbegroting wordt door de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, ook algemeen verkrijgbaar gesteld.

3.

De raden kunnen binnen acht weken bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling wordt aangeboden.

4.

Het algemeen bestuur stelt jaarlijks vóór 15 juli de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

5.

Binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus zendt het dagelijks bestuur de begroting aan gedeputeerde staten.

6.

Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid van dit artikel is, met uitzondering van de in de leden 3 en 5 genoemde termijnen, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

Artikel 20 Jaarrekening en jaarverslag

1.

Van de baten en lasten van het openbaar lichaam wordt door het dagelijks bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de conceptjaarrekening, het jaarverslag met daarbij behorende bescheiden, zoals vermeld in artikel 213 van de Gemeentewet. Na de eigen oordeelsvorming zendt het dagelijks bestuur de voorlopige jaarrekening jaarlijks vóór 15 april toe aan de raden.

2.

De voorlopige jaarrekening en het jaarverslag worden door de gemeenten voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 197, tweede en derde lid van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

3.

De raden kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de voorlopige jaarrekening en het jaarverslag naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de stukken, zoals deze aan het algemeen bestuur ter vaststelling worden aangeboden. Nadat een daartoe aangestelde accountant een controleverklaring over de jaarrekening heeft afgegeven, wordt de jaarrekening vervolgens door het algemeen bestuur vastgesteld.

4.

Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan gedeputeerde staten en voorts aan de raden.

5.

Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.

HOOFDSTUK 6 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING

Artikel 21 Toetreding

1.

Toetreding door een niet aan deze regeling deelnemend college kan plaatsvinden bij een besluit van het betreffende college en met instemming van de betreffende raad. Ten minste drie vierde van de deelnemende gemeentebesturen dienen in te stemmen met een toetreding.

2.

Het algemeen bestuur bepaalt de voorwaarden voor en de gevolgen van een toetreding.

3.

Het algemeen bestuur bepaalt het moment waarop een toetreding van kracht wordt.

Artikel 22 Uittreding

1.

Een college kan uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad.

2.

Uittreding kan eerst plaatsvinden vijf jaar na toetreding tot de regeling met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste een jaar en welke opzegtermijn aanvangt na het jaar waarin de opzegging plaatsvindt.

3.

Het algemeen bestuur regelt de voorwaarden voor en de gevolgen van een uittreding. Het algemeen bestuur bepaalt daarbij tevens het moment van uittreding.

Artikel 23 Wijziging

1.

Het dagelijks bestuur en de colleges kunnen aan het algemeen bestuur voorstellen tot wijziging doen.

2.

Indien het algemeen bestuur instemt met een wijzigingsvoorstel, doet het daarvan mededeling aan de raden en de colleges.

3.

Een wijzigingsbesluit komt vervolgens tot stand, indien drie vierde van de colleges een gelijkluidend besluit daartoe genomen hebben en de betreffende raden daar mee ingestemd hebben.

Artikel 24 Opheffing en liquidatie

1.

De regeling kan worden opgeheven bij een daartoe strekkend besluit van ten minste drie vierde van de colleges en indien de betreffende raden daarmee ingestemd hebben.

2.

In geval van een opheffingsbesluit draagt het algemeen bestuur zorg voor de opstelling en vaststelling van een liquidatieplan. Alvorens dit plan vast te stellen legt het algemeen bestuur dit voor aan de colleges en raden die daarover hun zienswijzen kenbaar kunnen maken.

3.

De gemeentebesturen verbinden zich in het geval van opheffing van het openbaar lichaam in het liquidatieplan de verplichting op te nemen dat zij alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de gemeenten verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

4.

Het dagelijks bestuur zal als vereffenaar optreden en belast worden met de uitvoering van het liquidatieplan.

5.

Het openbaar lichaam en zijn bestuur blijven na het opheffingsbesluit bestaan voor zover dit voor de uitvoering van het liquidatieplan nodig is.

HOOFDSTUK 7 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 25 Onvoorziene gevallen

In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur, met inachtneming van de ter zake geldende bepalingen uit de wet.

Artikel 26 Geschillenregeling

1.

Voordat een geschil als bedoeld in artikel 28 van de wet ter beslissing wordt voorgelegd aan gedeputeerde staten, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.

2.

De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Eén lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en één lid door het college van de betrokken gemeente(n). Deze leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens zal optreden als voorzitter van de commissie.

3.

De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken bestuursorganen en zo nodig derden die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de aard van het geschil en/of het feitencomplex.

4.

De geschillencommissie brengt in beginsel binnen drie maanden na het begin van haar werkzaamheden aan de betrokken bestuursorganen advies uit over de mogelijkhe(i)d(en) tot een overeenstemming over de oplossing van het gerezen geschil te komen. Bij acceptatie van het advies zullen partijen ter zake van de oplossing een vaststellingsovereenkomst sluiten.

5.

Indien het advies van de commissie niet leidt tot een oplossing van het geschil, wordt dit voorgelegd aan gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 28 van de wet. Aan gedeputeerde staten wordt eveneens het dossier van de geschillencommissie overgelegd.

Artikel 27 Toezending en bekendmaking regeling

1.

Het college van de gemeente Sittard-Geleen zendt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling toe aan gedeputeerde staten.

2.

Het college van de gemeente Sittard-Geleen maakt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig bekend door kennisgeving van de inhoud van de regeling in de Staatscourant.

3.

Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de registratie van de regeling in het Handelsregister.

Artikel 28 Archief

1.

Archivering geschiedt overeenkomstig de ter zake geldende wettelijke regelgeving inclusief de daarop gebaseerde uitvoeringsvoorschriften.

2.

De archiefverordening van de gemeente Sittard Geleen is van overeenkomstige toepassing.

3.

De directeur is belast met het dagelijks beheer van het archief.

4.

Bij opheffing van deze gemeenschappelijke regeling worden de archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Sittard Geleen.

Artikel 29 Inwerkingtreding, duur, evaluatie en citeertitel

1.

Deze regeling treedt in werking op 11 mei 2016 echter niet eerder dan nadat de regeling bekend is gemaakt overeenkomstig artikel 27, tweede lid van deze regeling.

2.

Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

3.

De werking van deze regeling zal om de vier jaar geëvalueerd worden. Het dagelijks bestuur zal daartoe, gehoord de directeur, een onderzoeksvoorstel aan het algemeen bestuur voorleggen.

4.

De regeling kan worden aangehaald als ‘Gemeenschappelijke regeling Omnibuzz’.

Artikel 30 Overgangsbepaling

1.

In de periode tussen 11 mei 2016 tot en met 10 december 2016 zal de werking van deze regeling voor alle deelnemende gemeenten zien op:

  • a.
    het voorbereiden en uitvoeren van de aanbesteding regiotaxi voor het betreffende doelgroepenvervoer per 11 december 2016;
  • b.
    de voorbereiding van de organisatie en begroting voor de periode vanaf 11 december 2016.
2.

Voor de behartiging van de overige belangen en taken van het openbaar lichaam en de daarop betrekking hebbende bevoegdheden, financiering en verantwoordelijkheden die nog gedurende de periode tot en met 10 december 2016 dienen te gebeuren, zal deze regeling alleen zien op de tien gemeenten die in de aanhef van deze gewijzigde gemeenschappelijke regeling genoemd zijn.

3.

Voor de toepassing van het voorgaande lid zullen gedurende de daarin genoemde periode de bepalingen met betrekking tot de samenstelling en werkwijze van de bestuursorganen, de taken en bevoegdheden daarvan en de financiering gelden, zoals deze nu bepaald zijn in de gemeenschappelijke regeling zoals die geldt tot de datum van inwerkingtreding van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling.

Toelichting Gemeenschappelijke Regeling Omnibuzz (versie 151210)

Inleiding

Voordat wordt toegekomen aan de bespreking van de inhoud van de Gemeenschappelijke Regeling Omnibuzz (GR Omnibuzz) wordt stilgestaan bij de aanleiding die tot de thans voorliggende GR Omnibuzz heeft geleid. De aanleiding tot de wijziging van deze GR is gelegen in het feit dat 32 gemeenten gaan samenwerken in de GR Omnibuzz om gezamenlijk uitvoering te geven aan het doelgroepenvervoer binnen de provincie Limburg. Daarbij hebben de gemeenten de ambitie uitgesproken om ten aanzien van het doelgroepenvervoer zo veel mogelijk samen te werken en de uitvoering daarvan bij Omnibuzz onder te brengen.

Er is gekozen om de thans geldende GR Omnibuzz, waarin tien gemeenten samenwerken op het gebied van WMO-vervoer, te wijzigen 22 gemeenten toetreden tot deze gewijzigde GR.

Het doelgroepenvervoer zal meer gaan omvatten dan het WMO-vervoer.

Hoofdstuk 1 Algemeen

Na de bekende overwegingen en de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in artikel 1 is in artikel 2 bepaald dat de samenwerking vorm krijgt in een openbaar lichaam op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). De thans geldende GR had de naam Omnibuzz, besloten is deze naam te handhaven.

Hoofdstuk 2 Belang, taken en bevoegdheden

In artikel 3 is het te behartigen belang opgenomen. Hierin ligt de taakstelling besloten die de deelnemende gemeenten opdragen aan Omnibuzz. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in het kader van deze samenwerking geen bevoegdheden van de gemeentebesturen worden overgedragen. Er is hier sprake van taken die de colleges van de 32 gemeenten opdragen aan de GR Omnibuzz. Omnibuzz gaat voor deze 32 gemeenten uitvoering geven aan het doelgroepenvervoer. Van belang is op te merken dat Omnibuzz niet bepaalt wie aanspraak kan maken op het doelgroepenvervoer dat door de gemeenten wordt betaald en door Omnibuzz wordt uitgevoerd. De gemeenten hebben de indicerende taak en bepalen wie derhalve toegang heeft tot het doelgroepenvervoer. Daarnaast kan het voorkomen dat een inwoner uit een van de deelnemende gemeenten op grond van een bijzondere wet rechtstreeks aanspraak kan maken op het door Omnibuzz geregelde doelgroepenvervoer.

In het tweede lid van artikel 3 is bepaald dat de colleges voor zover dat nog niet is geschied, de regie en de uitvoering van het doelgroepenvervoer op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra, met ingang van 11 december 2016, opdragen aan Omnibuzz. Immers op 10 december 2016 lopen de contracten af voor het WMO-vervoer. In de praktijk wordt het meestal aangeduid als het WMO-vervoer en het leerlingenvervoer. Het is echter zo dat een aantal gemeenten nog verplichtingen heeft die over de datum van 11 december 2016 heengaan. Daarvoor is afgesproken dat deze gemeenten de bestaande contracten niet meer zullen verlengen. Dit betekent derhalve dat zodra een contract over het leerlingenvervoer expireert, deze gemeenten de regie en uitvoering van het leerlingenvervoer onderbrengen bij Omnibuzz en dus geen gebruik zullen maken van de mogelijkheid om tot contractverlenging met bestaande partijen over te gaan. Dit is verwoord in het vierde lid van artikel 3.

In het derde lid van artikel 3 is de ambitie voor de samenwerking tussen de 32 gemeenten opgenomen. De ambitie is dat zoveel mogelijk vormen van doelgroepenvervoer, de regie en de uitvoering door Omnibuzz plaatsvindt. Dit betekent dat in de toekomst Omnibuzz voor alle deelnemende gemeenten meer dan alleen het WMO- en het leerlingenvervoer gaat uitvoeren.

Het vijfde lid van artikel 3 is opgenomen om te bepalen dat wanneer niet alle gemeenten een bepaalde vorm van doelgroepenvervoer afnemen, Omnibuzz ten aanzien van deze specifieke gemeentelijke opdrachten op maat toegesneden dienstverleningsovereenkomsten sluit met deze gemeenten.

In het zesde lid van artikel 3 is bepaald dat Omnibuzz met toestemming van het Dagelijks Bestuur andere vormen van groepsvervoer voor derden, niet zijnde een van de 32 deelnemende gemeenten, kan verzorgen. Omnibuzz zal dan met die derde partij een specifiek daartoe opgestelde dienstverleningsovereenkomst sluiten.

Als gevolg van de opgedragen taken in artikel 3 zal Omnibuzz een aantal werkzaamheden uitvoeren welke zijn weergegeven in artikel 4 van deze regeling. Hier wordt stil gestaan bij de leden 2 en 3 van artikel 4. Omdat er geen sprake is van overdracht van bevoegdheden, maar van het uitvoeren van taken ten behoeve van gemeenten, zal Omnibuzz met de gemeenten dienstverleningsovereenkomsten sluiten. Tijdens het overleg dat voorafging aan de wijziging van de GR Omnibuzz, is nadrukkelijk aangegeven dat dit niet moet leiden tot 32 verschillende dienstverleningsovereenkomsten. Dit heeft erin geresulteerd dat het Algemeen Bestuur de uitgangspunten voor de 32 dienstverleningsovereenkomsten zal vaststellen waarbij aan de dienstverlening voor de 32 gemeenten eenzelfde dienstverleningsovereenkomst ten grondslag zal liggen. Tot slot wordt hierbij nog opgemerkt dat een vorm van een service level agreement onderdeel kan uitmaken van de dienstverleningsovereenkomst die gesloten wordt tussen de gemeenten en Omnibuzz.

Hoofdstuk 3 Bestuur: organen, samenstelling werkwijze en bevoegdheden

In artikel 5 e.v. zijn bepalingen opgenomen over het bestuur en het besturen van de GR Omnibuzz waarbij aandacht wordt besteed aan de samenstelling, de werkwijze en de bevoegdheden van deze organen. Zoals in artikel 2 van deze regeling al is aangegeven, is de GR een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wgr. Dit betekent dat het openbaar lichaam drie bestuursorganen kent, namelijk een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter. In de artikelen 5 tot en met 8 zijn de bepalingen opgenomen met betrekking tot het algemeen bestuur. Dit zijn algemene bepalingen die gebaseerd zijn op de Wgr. Ten aanzien van het algemeen bestuur wordt hier een tweetal onderwerpen nader besproken, namelijk de stemverhouding binnen het bestuur en de informatie- en verantwoordingsplicht van (de leden van) het algemeen bestuur.

In artikel 6, derde lid, is de stemverhouding opgenomen binnen het algemeen bestuur. Er is uitgebreid over deze stemverhouding gesproken en dit heeft erin geresulteerd dat iedere gemeente één stem krijgt en dat voor iedere volle 20.000 inwoners boven het aantal van 50.000 een extra stem wordt toegekend. De besluiten in het algemeen bestuur worden genomen met een gewone meerderheid van stemmen.

Het tweede onderdeel ten aanzien van het algemeen bestuur dat hier aan de orde wordt gesteld, is de informatie- en de verantwoordingsplicht van het Algemeen Bestuur aan de colleges en raden van de deelnemende gemeenten. De democratische legitimatie in relatie tot bestuurlijke samenwerking staat steeds meer ter discussie. Om de invloed van de colleges en de raden op gemeenschappelijke regelingen te vergroten zijn bij de laatste wijziging van de Wgr de bepalingen daaromtrent weer verder aangescherpt. Deels komen deze terug in deze gemeenschappelijke regeling en deels zijn deze terug te vinden in de Wgr zelf. Het algemeen bestuur dient aan de raden en colleges van de gemeenten de inlichtingen te verstrekken die men nodig heeft om daadwerkelijk uitvoering te kunnen geven aan de verantwoordelijkheden die raden en colleges hebben. Een lid van het algemeen bestuur zal aan zijn raad of aan zijn college ook verantwoording moeten afleggen voor het gevoerde beleid.

In de artikelen 9 t/m 12 zijn de bepalingen opgenomen met betrekking tot het dagelijks bestuur. De deelnemende gemeenten hebben er voor gekozen om te komen tot de instelling van een dagelijks bestuur dat bestaat uit zeven leden, waarvan vier leden zullen worden aangewezen door de leden uit het algemeen bestuur die afkomstig zijn uit gemeenten in Zuid-Limburg en drie leden van het dagelijks bestuur zullen worden aangewezen door de leden afkomstig uit de gemeenten in Midden- en Noord-Limburg.

De voorzitter maakt ook onderdeel uit van het dagelijks bestuur, hetgeen betekent dat wanneer de voorzitter afkomstig is uit een gemeente van Midden- of Noord- Limburg, deze gemeenten nog twee dagelijks bestuursleden uit hun midden kunnen voordragen voor benoeming als lid van het dagelijks bestuur. Komt de voorzitter uit Zuid-Limburg dan betekent dit dat de gemeenten uit Zuid-Limburg nog drie leden voor het dagelijks bestuur kunnen voordragen.

De taken en de daaraan gekoppelde bevoegdheden van het dagelijks bestuur zijn beschreven in artikel 11. Hierbij is van belang stil te staan bij het derde lid van artikel 11. Hierin is bepaald dat Omnibuzz en in het bijzonder het dagelijks bestuur, geen bezwaarschriften zal behandelen die gaan over het wel of niet aanspraak kunnen maken op een vorm van doelgroepenvervoer. Omnibuzz zal deze bezwaren doorsturen naar het bevoegd gezag dat wel bevoegd is de bezwaren te behandelen.

Ten aanzien van de informatie- en verantwoordingsplicht voor het DB is met de laatste wetswijziging van de Wgr ook het nodige veranderd. Het dagelijks bestuur zal ook aan de colleges en raden of leden van de raden van de deelnemende gemeenten informatie dienen te verstrekken indien daarom wordt gevaagd. Het dagelijks bestuur heeft geen verantwoordingsplicht richting de raden, enkel een inlichtingenplicht. Het dagelijks bestuur heeft wel een verantwoordingsplicht richting het algemeen bestuur en dat kan ook betekenen dat het algemeen bestuur het vertrouwen in een of meerdere leden van het dagelijks bestuur opzegt.

Artikel 13 van deze regeling ziet op de voorzitter en in dit artikel zijn de veelal voorkomende bepalingen opgenomen, die gelden voor de functie en taken van de voorzitter. Wel wordt hier gewezen op het zesde lid van artikel 13, waarin aan de voorzitter ook de verplichting heeft om inlichtingen te verstrekken aan een of meer raden van de deelnemende gemeenten als daarom wordt verzocht. Ook hier is het zo dat de voorzitter geen verantwoordingsrelatie heeft naar de raden of colleges van deelnemende gemeenten, maar echter wel een verantwoordingsplicht heeft, net als de overige leden van het dagelijks bestuur, aan het algemeen bestuur.

Hoofdstuk 4 Organisatie en personeel

In de artikelen 14 en 15 is de (inrichting van de) organisatie en het personeel dat binnen de organisatie werkzaam is, geregeld. Artikel 14 gaat met name over de positie van de directeur en de relatie tussen de directeur en het Dagelijks Bestuur. Artikel 15 bepaalt dat het Dagelijks Bestuur optreedt als bevoegd gezag ten aanzien van het personeel en dat de CAR/UWO, de arbeidsvoorwaardenregeling voor personeel van gemeenten, van toepassing is verklaard voor het personeel binnen Omnibuzz.

Hoofdstuk 5 Financiën

Hoofdstuk 5 ziet op de financiën van de gemeenschappelijke regeling. Ten aanzien van de financiën van de gemeenschappelijke regeling, daaronder ook wordt begrepen de begroting alsmede de jaarrekening, is met de laatste wetswijzing weer gedetailleerd geregeld in de Wgr. Daarbij zijn ook de data vervroegd waarop bijvoorbeeld de begroting door het dagelijks bestuur aan gemeenten moet worden aangeboden. Hierdoor hebben de gemeenteraden een ruimere tijd om hun zienswijze te geven op de voorgestelde begroting en het financiële beleidskader.

In de regeling is in artikel 18 bepaald hoe de kosten over de deelnemende gemeenten verdeeld worden. De kosten die direct verbonden zijn aan het vervoer van inwoners van de deelnemende gemeenten worden direct één op één doorberekend aan de gemeente waaruit de inwoner afkomstig is. Voor de kosten die voortvloeien uit personeel en beheer en die dus verbonden zijn aan het te behartigen belang zoals dat in artikel 3 van deze regeling is opgenomen, is een verdeelsleutel vastgesteld die in de gemeenschappelijke regeling is opgenomen. De kosten verbonden aan personeel en beheer worden verdeeld volgens een bepaalde in de regeling opgenomen sleutel die in artikel 18, eerste lid is opgenomen. 50% van de kosten voor personeel en beheer worden naar rato van het aantal inwoners per gemeente op 1 januari van het jaar waarop die kosten betrekking hebben verdeeld. Het aantal inwoners wordt bepaald aan de hand van de cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek jaarlijks beschikbaar stelt. De andere helft van de kosten wordt berekend naar rato van het aantal gebruikers per gemeente op 1 januari van het jaar waarop die kosten betrekking hebben. Wat onder gebruiker moet worden verstaan is opgenomen in het tweede lid van artikel 18.

Hoofdstuk 6 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

In hoofdstuk 6 is de toetreding tot en de uittreding, wijziging en opheffing van de regeling opgenomen. Dit zijn bepalingen die voornamelijk ook voortvloeien uit de Wgr. Ten aanzien van de uittreding is in artikel 22, tweede lid, l opgenomen dat een toegetreden lid niet binnen vijf jaar kan uittreden. Deze bepaling is opgenomen om er zorg voor te dragen dat de 32 gemeenten gezamenlijk gedurende ten minste een periode van vijf jaar met elkaar uitvoering willen geven aan het doelgroepenvervoer. Hiermee krijgt Omnibuzz de kans om gedurende deze periode te werken aan een organisatie die volledig geëquipeerd is om uitvoering te geven aan de opgedragen taken. Mocht na vijf jaar echter een gemeente uittreden dan zullen ook de gevolgen van het uittreden aan de uittredende gemeente worden doorberekend.

Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen

Ook dit is een traditioneel hoofdstuk waarvan de bepalingen grotendeels voortvloeien uit de Wgr. In artikel 26 is een geschillenregeling opgenomen die maakt dat eerst wordt getracht zelf het geschil op te lossen alvorens de gang gemaakt wordt naar het college van Gedeputeerde Staten van Limburg.

In artikel 27 is bepaald dat de gemeente Sittard-Geleen zorgdraagt voor toezending van een volledig exemplaar van de gemeenschappelijke regeling aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg en dat deze gemeente ervoor zorgdraagt dat de regeling tijdig bekend wordt gemaakt door middel van opname in de Staatscourant.

Tot slot wordt aandacht gevraagd voor de overgangsbepaling. Hier geldt een specifieke situatie. De gewijzigde GR Omnibuzz ziet voor de periode na de inwerkingtreding ervan tot het moment dat de nieuwe duur voor het doelgroepenvervoer regiotaxi is aangebroken per 11 december 2016 (de zogenaamde overgangsperiode) op de volgende taakstellingen:

  • belangen- en taakbehartiging voor de periode na inwerkingtreding van de wijziging en toetreding tot 11 december 2016 loopt voor de 10 huidige deelnemende colleges de nu geldende taakuitvoering door Omnibuzz gewoon door;
  • voor alle 32 deelnemende colleges dient Omnibuzz uitvoering te geven aan het voorbereiden en uitvoeren van de aanbestedingsprocedure doelgroepenvervoer regiotaxi;
  • het operationaliseren van de organisatie en regietaak, gericht op de belangen- en taakbehartiging voor alle 32 deelnemende colleges.

Het voorgaande betekent dat die overgangsperiode in 2016 vrij complex wordt: bestuurlijk, organisatorisch en financieel. Om dit proces in goed banen te kunnen leiden is gekozen om een overgangsbepaling in de (gewijzigde) gemeenschappelijke regeling op te nemen.

In die overgangsbepaling wordt geregeld dat

  • (1)
    de werking van deze regeling in die overgangsperiode voor alle deelnemende gemeenten ziet op de laatste twee hiervoor genoemde taakstellingen
  • (2)
    de eerste hierboven genoemde taakstelling enkel geldt voor de 10 huidige deelnemende colleges
  • (3)
    voor de onder (2) genoemde taakstelling de samenstelling en werkwijze van de bestuursorganen, de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en financiering verlopen op grond van de betreffende bepalingen in de nu geldende gemeenschappelijke regeling.

Op deze wijze wordt erin voorzien, dat binnen het raamwerk van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling de huidige taakstelling en werkwijze kan doorlopen in de overgangsperiode.

Deze overgangsbepaling loopt van rechtswege af na de ommekomst van de overgangsperiode.