Officiele publicatie

Besluit Jeugdhulp Gemeente Meerssen 2017

Burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen:

Gelet op de bepalingen in de verordening Jeugdhulp gemeente Meerssen 2015.

Besluiten:

  • In te trekken het Besluit Jeugdhulp gemeente Meerssen 2015;
  • Vast te stellen het Besluit Jeugdhulp gemeente Meerssen 2017. 

Het besluit is vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders van Meerssen op 20 december 2016.

Inleiding

Voor u ligt het besluit jeugdhulp 2017 van de gemeente Meerssen (hierna: besluit). In dit besluit zijn de nader regels en bedragen opgenomen, die een uitwerking zijn van de verordening Jeugdhulp 2015 gemeente Meerssen (hierna: verordening).

Dit besluit betreft de startsituatie bij de inwerkingtreding van de Jeugdwet. Met de inwerkingtreding wordt de gemeente verantwoordelijkheid voor goede en toegankelijke jeugdhulp. Aangezien de meeste taken op dit terrein voor de gemeente nieuwe taken zijn en de uitvoering nog in ontwikkeling is, kan het nodig zijn de beleidsregels op basis van opgedane ervaring in de loop van de tijd aan te passen. Soms is een kleine snelle aanpassing vereist om optimale ondersteuning te bieden aan de jeugdige en/of zijn ouders. Het besluit biedt deze flexibiliteit.

Het besluit is vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen op 20 december 2016.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1: begripsbepalingen

Alle begrippen die in dit besluit worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de Verordening jeugdhulp 2015 gemeente Meerssen of de Algemene Wet Bestuursrecht. Alle bedragen die in dit besluit worden genoemd, zijn inclusief BTW, tenzij anders is vermeld.

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. aanvrager:

de jeugdige en/of zijn ouders die een aanvraag indienen voor een individuele voorziening op grond van de verordening en voor wie de gevraagde voorziening is bedoeld dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger;

b. algemeen gebruikelijke voorziening:

voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;

c. andere voorziening:

voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

d. budgethouder:

een ondersteuningsbehoevende aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend, dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger, en die aan het College verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is;

e. cliënt:

persoon die gebruik maakt van een overige voorziening of aan wie een individuele voorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door wie een melding van een hulpvraag is gedaan bij het college;

f. cliëntondersteuning:

ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

g. college:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen;

h. familiegroepsplan:

de schriftelijke verslaglegging van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouders zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, alsmede de beoogde resultaten en de evaluatie ervan;

i. formele hulp:

hulp die wordt geleverd door één van onderstaande partijen:

  • a.
    een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdelen a, c, d of e, van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten volgens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel j of k;
  • b.
    een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel j of k, en die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel waaraan een geldige beschikking als bedoeld in artikel 3.156 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is afgegeven;
  • c.
    een persoon die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) of het kwaliteitsregister Jeugd, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel j of k.
j. gebruikelijke hulp:

hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van (groot-)ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten en mensen uit het sociale netwerk;

k. gesprek:

gesprek als bedoeld in artikel 7 van de verordening Jeugdhulp 2015;

l. hulpvraag:

behoefte van een jeugdige en/of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;

m. individuele voorziening:

een voorziening, als bedoeld in artikel 2 lid 4 van de verordening, die is toegesneden op de jeugdige en/of zijn ouders indien de overige voorziening geen adequate oplossing biedt;

n. informele hulp:

hulp die wordt geleverd door een persoon die niet onder de definitie van formele hulp valt;

o. melding:

melding van een hulpvraag, als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de verordening;

p. normbedrag:

een forfaitair of gemaximeerde vergoeding;

q. overige voorziening:

een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een snelle beperkte toegangsbeoordeling en die een flexibele, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een jeugdige en/of zijn ouders ondervinden, als bedoeld in artikel 2.3 van de verordening;

r. persoonlijk plan:

plan waarbij de jeugdige en/of zijn ouders de omstandigheden als bedoeld in artikel 5 onderdelen a tot en met g van de wet beschrijft en aangeeft welke ondersteuning naar mening van de jeugdige en/of zijn ouders het meest is aangewezen;

s. persoonsgebonden budget:

een geldbedrag, zoals bedoeld in artikel 8.1.1. van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan de jeugdige en/of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

t. verordening:

de Verordening jeugdhulp 2015 gemeente Meerssen;

u. voorziening in natura:

een voorziening die in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;

v. wet:

Jeugdwet.

Artikel 2: wijze van verstrekken

1.

De te treffen individuele voorzieningen kunnen worden verstrekt:

  • a.
    als voorziening in natura;
  • b.
    als persoonsgebonden budget

Hoofdstuk 2. Proceswaarborgen

Artikel 3: second opinion

1.

Cliënt kan eenmaal verzoeken om een herbeoordeling van zijn melding door een andere medewerker, voor de gevallen dat cliënt en de medewerker niet tot overeenstemming komen over de inhoud van het familiegroepssplan.

2.

De herbeoordeling vindt plaats op verzoek van de cliënt:

  • a.
    door een gedragswetenschapper of kwaliteitsmedewerker van het team of,
  • b.
    door een medewerker van het team Jeugd/ sociaal team van een andere gemeente in de regio Maastricht Heuvelland of
  • c.
    door een door de gemeente aan te wijzen onafhankelijke deskundige.
3.

De herbeoordeling vindt plaats binnen 14 dagen na indiening van het verzoek.

4.

Binnen 21 dagen na het onderzoek verstrekt het college het verslag aan de cliënt. Wanneer de herbeoordeling leidt tot een aanpassing van het oorspronkelijke familiegroepsplan treedt dit plan hiervoor in de plaats.

5.

Aan de herbeoordeling van zijn melding zijn voor cliënt geen kosten verbonden.

6.

Het verzoek om een herbeoordeling laat onverlet de mogelijkheid van cliënt om een aanvraag in te dienen.

7.

Het verzoek om een second opinion heeft geen opschortende werking.

Artikel 4: klachtregeling

Voor de afhandeling van klachten in het kader van de uitvoering van de verordening en het besluit is de interne klachtenregeling Gemeente Meerssen 2007 van toepassing.

Artikel 5: het periodiek onderzoek

1.

Het college onderzoekt in beginsel om de drie jaar of een beslissing als bedoeld in artikel 10 van de verordening Jeugdhulp 2015 dient te worden heroverwogen.

2.

Afwijking van de in het eerste lid genoemde termijn is mogelijk rekening houdend met de situatie van de cliënt, de aard van de ondersteuning en de vorm waarin deze wordt verstrekt.

Hoofdstuk 3. Beoordeling van de hulpvraag

Artikel 6: afwegingskader

1.

Bij de beoordeling van de hulpvraag hanteert het college het afwegingskader als beschreven in artikel 7 van de verordening. Een individuele voorziening (in natura) of persoonsgebonden budget is eerst aan de orde wanneer (de combinatie van) andere mogelijkheden niet leiden tot passende ondersteuning van de cliënt.

Artikel 7: algemeen gebruikelijke voorzieningen

1.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen, als gedefinieerd in artikel 1 lid b van dit besluit, komen niet voor verstrekking als individuele voorziening of als persoonsgebonden budget in aanmerking.

2.

Onder gebruikelijke voorzieningen worden oplossingen verstaan, die beschikbaar zijn en in redelijkheid een oplossing bieden voor de jeugdige en/of zijn ouders.

Daaronder wordt bijvoorbeeld verstaan: boodschappendienst, kinderoppas en sociale alarmering.

Artikel 8: gebruikelijke hulp

1.

Gebruikelijke hulp, als gedefinieerd in artikel 1 lid j van dit besluit, komt niet voor verstrekking als individuele voorziening of als persoonsgebonden budget in aanmerking.

2.

Voor vaststelling van de omvang van gebruikelijke hulp wordt in de individuele situatie de richtlijn gebruikelijke hulp gemeenten Maastricht-Heuvelland toegepast. De richtlijn is uitgewerkt in bijlage 1).

Hoofdstuk 4. Vormen van Jeugdhulp

Artikel 9: vormen van Jeugdhulp

1.

Onder de overige voorzieningen vallen:

  • a.
    jeugdigen en hun ouders kunnen advies en informatie krijgen over:
    • opgroei- en opvoedproblemen;
    • psychische problemen en stoornissen;
    • opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd;
    • kindermishandeling en huiselijk geweld;
    • somatische aandoeningen;
    • lichamelijke of verstandelijke beperkingen;
  • b.
    cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon jeugdhulp;
  • c.
    lichte vormen van ambulante hulp;
  • d.
    collectieve, niet specialistische begeleiding voor jeugdigen met een lichte verstandelijke beperking, psychiatrische aandoening, een zintuiglijke beperking, een lichamelijke beperking, een somatische aandoening of een psychiatrische aandoening.
2.

Onder de individuele voorzieningen vallen:

  • a.
    dyslexie diagnose;
  • b.
    dyslexie behandeling;
  • c.
    begeleiding individueel;
  • d.
    begeleiding groep;
  • e.
    behandeling individueel;
  • f.
    behandeling groep;
  • g.
    begeleide omgangsregeling;
  • h.
    logeren;
  • i.
    pleegzorg;
  • j.
    verblijf;
  • k.
    crisis ambulant (individueel);
  • l.
    crisis (gezinsaanpak);
  • m.
    crisis (verblijf);
  • n.
    regie (betrokken);
  • o.
    regie (onafhankelijk);
  • p.
    forensische hulp;
  • q.
    jeugdzorgplus.

Hoofdstuk 5. Regels ten aanzien van het persoonsgebonden budget

Artikel 10: voorwaardenvoor een persoonsgebonden budget

1.

Verstrekking van een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op basis van een door aanvrager opgesteld persoonlijk budgetplan. In het plan staat:

  • a.
    hoe de budgethouder zijn hulp wil organiseren, wie deze hulp gaat leveren en op welke manier de kwaliteit is geborgd.
  • b.
    de te treffen voorziening en het beoogde doel,
  • c.
    de voorgenomen uitvoering daarvan,
  • d.
    de kwalificaties van de uitvoering,
  • e.
    een motivering waarom hij een persoonsgebonden budget wenst en
  • f.
    de aan de uitvoering verbonden kosten.
2.

Uit het plan dient te kunnen worden afgeleid of en in hoeverre:

  • a.
    de jeugdige en/of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ten aanzien van de hulpvraag dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat zijn om de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren en
  • b.
    de jeugdige en/of zijn ouders gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en
  • c.
    naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.
3.

Bij de inzet van het persoonsgebonden budget voor mensen uit het sociale netwerk c.q. informele hulp geldt:

  • a.
    dat de hulpverlener in alle gevallen dient te beschikken over een verklaring omtrent gedrag en
  • b.
    dat als de dienst zorg omvat waarvoor krachtens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimaal opleidingvereiste is, de hulpverlener over de desbetreffende kwalificatie beschikt.
4.

In de beoordeling van het pgb-plan betrekt het college in ieder geval de volgende aspecten:

  • a.
    de benodigde ondersteuning is niet goed vooraf in te plannen;
  • b.
    de benodigde ondersteuning moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;
  • c.
    de benodigde ondersteuning moet op veel korte momenten per dag geboden worden;
  • d.
    de benodigde ondersteuning moet op verschillende locaties worden geleverd;
  • e.
    als het noodzakelijk is om 24 uur ondersteuning op afroep te organiseren;
  • f.
    als de ondersteuning door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden.

Artikel 11: weigering persoonsgebonden budget

1.

Een persoonsgebonden budget is uitsluitend mogelijk voor individuele voorzieningen.

2.

Het college kent geen persoonsgebonden budget toe:

  • a.
    als niet wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 10 van dit Besluit;
  • b.
    als het bieden van een keuze voor het persoonsgebonden budget negatieve gevolgen zou hebben voor het voortbestaan van het systeem van de desbetreffende individuele voorzieningen in natura;
  • c.
    als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie;
  • d.
    ten behoeve van de bemiddeling bij het aanvragen van een indicatie of bij bemiddeling van het beheer van het persoonsgebonden budget;
  • e.
    als blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.

Artikel 12: tariefbepaling persoonsgebonden budget

1.

Afhankelijk van de ondersteuningsvorm hanteren we een tarief per uur (individuele dienstverlening), per dagdeel (groepsbegeleiding) en/of per etmaal (verblijf). Een overzicht van de toepasselijke tarieven is opgenomen in bijlage 2.

2.

Het persoonsgebonden budget voor een zaak wordt vastgesteld op maximaal 100% van de kosten van de goedkoopst adequate voorziening in natura, zoals door het college aan een door haar gecontracteerde leverancier zou hebben betaald.

3.

De persoonsgebonden budget tarieven voor de dienstverlening in het kader van de Jeugdwet worden, jaarlijks, met ingang van 1 januari, geïndexeerd conform het CPI-indexcijfer, alle huishoudens (reeks 2006=100). De aanpassing zal worden berekend op basis van de jaarmutatie van de maand juli en wordt afgerond op één decimaal.

Artikel 13: bestedingsmogelijkheden persoonsgebonden budget

1.

De bestedingsmogelijkheden van een persoonsgebonden budget worden gebaseerd op de proceskeuzelijst, zoals die wordt gehanteerd door de Sociale Verzekeringsbank, opgenomen in bijlage 3.

Het college kan in individuele situaties afwijkende bestedingsmogelijkheden toestaan. Indien van toepassing worden deze vastgelegd in de beschikking.

Artikel 14: uitbetaling van het persoonsgebonden budget

1.

Het persoonsgebonden budget voor een individuele voorziening wordt niet uitbetaald op de bankrekening van de budgethouder, maar op rekening van het servicecentrum PGB van de Sociale verzekeringsbank. Budgethouders hebben een trekkingsrecht op basis van het toegekende persoonsgebonden budget.

2.

In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten eenmalige persoonsgebonden budgetten uit te keren op een andere rekening dan die van het servicecentrum PGB van de Sociale verzekeringsbank. Uitbetaling vindt ook in deze gevallen in principe achteraf plaats.

3.

Het trekkingsrecht op basis van een persoonsgebonden budget geldt in beginsel per kalenderjaar met een bovengrens van 150% van het maandelijkse budget per maand.

4.

In individuele gevallen kan worden afgeweken van het bepaalde in het derde lid.

Artikel 15: controle van het persoonsgebonden budget

1.

De Sociale verzekeringsbank controleert vooraf de zorgovereenkomst(en) tussen de budgethouder en zijn zorgverlener arbeidsrechtelijk.

2.

Het college controleert vooraf de zorgovereenkomst op de afspraken zoals overeengekomen in het budgetplan.

3.

Het college kan, achteraf, na afloop van de verstrekking dan wel na afloop van enig kalenderjaar, de verstrekte persoonsgebonden budgetten, middels een steekproef controleren.

4.

Het college kan op basis van een steekproef een verdere controle uitvoeren aan de hand van door de budgethouder te overleggen relevante, originele en gedateerde facturen en/of betaalbewijzen en/of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen.

5.

In verband met de in lid 4 van dit artikel genoemde controle dient de budgethouder gedurende een periode van 3 jaar bewijsstukken te bewaren van de besteding van het persoonsgebonden budget.

6.

Indien, met de in dit artikel genoemde bescheiden niet of niet volledig adequate besteding van het persoonsgebonden budget aangetoond kan worden of bij gebleken misbruik dan wel aanwending van het persoonsgebonden budget ten behoeve van andere zaken dan waartoe dit is toegekend, kan het college het al verstrekte persoonsgebonden budget geheel of ten dele intrekken en terugvorderen.

7.

Ingeval van een persoonsgebonden budget voor een eenmalige aanschaf vooraf wordt uitbetaald, controleert het college de besteding hiervan achteraf. Cliënt dient binnen 3 maanden na verstrekking van het persoonsgebonden budget desgevraagd een originele nota te kunnen overleggen. Het vastgestelde persoonsgebonden budget betreft een maximum vergoeding. Indien de ingediende nota lager is dan het toegekende PGB, zal het PGB worden gelijkgesteld met het bedrag vermeld in de nota.

8.

Bij overlijden van de cliënt zal het persoonsgebonden budget voor periodieke dienstverlening worden stopgezet per eerste dag van de maand volgend op de maand van overlijden.

Hoofdstuk 6. Ouderbijdrage(vervallen per 1 januari 2017)

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 17: inspraak en medezeggenschap

1.

Het college zal de adviesraden van het college vroegtijdig in de gelegenheid stellen voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

2.

Het college zorgt ervoor dat bovengenoemde adviesraden van het college deel kunnen nemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat deze wordt voorzien van de voor een deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

Artikel 18: citeertitel en inwerkingtreding

1.

Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit Jeugdhulp gemeente Meerssen 2017 en treedt in werking vanaf 1 januari 2017.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1: begripsbepalingen

In dit besluit worden een aantal belangrijke begrippen uit de wetgeving en verordening herhaald. Daarnaast worden enkele begrippen, die terugkomen in de artikelen van het besluit gedefinieerd.

Artikel 2: wijze van verstrekking van een voorziening

De wetgeving noemt de individuele voorziening, dan wel het persoonsgebonden budget als verstrekkingsvormen. De term individuele voorziening wordt in de wetgeving vaak als synoniem gebruikt voor een verstrekking in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt. Het college is in deze gevallen de opdrachtgever. Het persoonsgebonden budget is een geldbedrag.

Artikel 3: second opinion

In artikel 8 lid 1 van de verordening wordt het college opgedragen een regeling vast te stellen voor een herbeoordeling van de melding. Artikel 3 van het besluit voorziet in deze regeling.

Lid 1

Een second opinion heeft betrekking op situaties waarbij de cliënt zich niet geholpen voelt of het oneens is met de adviezen, verwijzingen en afspraken die voortvloeien uit het onderzoek. Het biedt cliënt een vorm van rechtsbescherming waar hij dit in de meldingfase op grond van de Algemene wet bestuursrecht (nog) niet heeft.

Lid 2

Het initiatief voor de second opinion ligt in alle gevallen bij de cliënt. Hij bepaalt ook welke van de drie geboden opties de second opinion behandeld. Onder gedragswetenschapper en/of kwaliteitsmedewerker wordt verstaan een medewerker van sociale zaken met een specifieke deskundigheid ten aanzien van het proces en/of de inhoud. In alle gevallen is het aan de gemeente om de behandelaar voor de second opinion aan te wijzen. Bij de optie onder sub a en b ligt dit voor de hand. Ingeval een derde deskundige gekozen wordt, is in het artikel expliciet benoemd dat het aan de gemeente is om deze aan te wijzen. Het college is in dit geval opdrachtgever van het onderzoek en waarborgt de onafhankelijkheid. Dit is conform de praktijk ingeval van bezwaar (en beroep).

Lid 3

Cliënt kan in alle gevallen en op ieder moment besluiten tot het indienen van een bezwaar.

Lid 4

Als hoofdregel is vastgelegd dat een verzoek om een second opinion niet leidt tot schorsing van rechtswege. Hiermee wordt aangesloten bij de praktijk zoals deze in de Algemene wet bestuursrecht (artikel 6:16 Awb) is vastgelegd.

Artikel 4: klachtregeling

In artikel 9 lid 2 van de verordening wordt het college opgedragen een regeling vast te stellen voor de behandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen.

De gemeente Meerssen kent voor de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht een Verordening interne klachtbehandeling en een op basis daarvan opgesteld klachtenreglement. Klachten in het kader van de uitvoering van de verordening worden afgehandeld in de klachtenkamer Sociale zaken.

Artikel 5: periodiek onderzoek

Artikel 10 lid 3 van de verordening is bepaald dat het college nadere regels kan vaststellen ten aanzien van de periodiciteit van onderzoeken. Artikel 5 van het besluit voorziet hierin.

Gekozen is voor een termijn van in beginsel 3 jaar. Of een kortere termijn noodzakelijk is zal mede afhangen van de aard, de wijze en de omvang van de individuele ondersteuningsbehoefte van de cliënt en wat bij het onderzoek is vastgesteld. Afhankelijk hiervan kan ook een langere termijn overwogen worden.

De regels voor een periodiek onderzoek naar de individuele ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders wanneer de jeugdige de leeftijdsgrens van 18 jaar bereikt, kunnen op basis van de ervaringen in het komende jaar voor 2016 e.v. worden genormeerd.

De jeugdige en/of zijn ouders, de formele en/of informele hulp kunnen tussentijds op ieder moment om een nieuw onderzoek vragen. Professionele aanbieders hebben als opdracht aan de gemeente te signaleren wanneer de ondersteuningsbehoefte van de cliënt verandert.

Het periodiek onderzoek kan tot de conclusie leiden dat het geheel aan maatregelen nog altijd goed op de persoon is afgestemd, maar ook dat het college tot een heroverweging komt en beslist dat de cliënt meer of minder diensten en/of ondersteuning via andere voorzieningen nodig heeft.

Daar waar er geen sprake is van een individuele voorziening wordt vooralsnog geen richtinggevende termijn gesteld. Per individueel geval wordt beoordeeld in hoeverre en binnen welke termijn een periodiek onderzoek plaatsvindt. Door monitoring van de omvang en periodiciteit in het eerste jaar kan dit eveneens vanaf 2016 worden genormeerd.

Artikel 6: afwegingskader

Tijdens de toegangsprocedure wordt beoordeeld welke (combinatie van) ondersteuning passend is bij de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouders. Hierbij wordt eerst beoordeeld welke mogelijkheden er liggen in:

  • de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders,
  • de gebruikelijke hulp of gebruikelijke voorzieningen,
  • de mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk
  • de voorliggende en algemene voorzieningen

Pas nadat uit het onderzoek van artikel 6 van de verordening is geconcludeerd dat de hulpvraag hiermee niet, of niet geheel kan worden beantwoord is een maatwerkvoorziening aan de orde.

Er is een breed aanbod aan algemene voorzieningen beschikbaar. Denk hierbij aan voorzieningen binnen het onderwijs, de jeugdgezondheidszorg, welzijnsvoorzieningen, sport en cultuur. Belanghebbenden die een lichte, eenvoudige ondersteuningsvraag hebben, kunnen hier doorgaans zonder indicatie van de gemeente terecht.

Artikel 7: algemeen gebruikelijke voorzieningen

In dit artikel wordt expliciet gemaakt dat voorzieningen die als algemeen gebruikelijk kunnen worden aangemerkt niet voor verstrekking als individuele voorziening of persoonsgebonden budget in aanmerking komen.

Lid 2 bevat een niet limitatieve opsomming gebaseerd op het huidige beleid.

Waar de grens precies getrokken moet worden tussen wat algemeen gebruikelijk is en wat dat

niet is, zal afgemeten moeten worden aan algemeen maatschappelijke normen en is ter invulling van de gemeente. In het algemeen kan gesteld worden dat iets algemeen gebruikelijk is wanneer voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • a.
    de aan te schaffen dienst kan voor een jeugdige en/of zijn ouders als er geen sprake is van een ondersteuningsvraag en er sprake is van een vergelijkbare financiële situatie tot het normale aanschaffingspatroon worden gerekend;
  • b.
    het is niet speciaal voor jeugdige en/of ouders met een ondersteuningsbehoefte;
  • c.
    het is algemeen verkrijgbaar;
  • d.
    het is niet duurder is dan soortgelijke producten.

Artikel 8: algemeen gebruikelijke hulp

In dit artikel wordt expliciet gemaakt dat hulp die als gebruikelijk kan worden aangemerkt niet voor verstrekking als individuele voorziening of persoonsgebonden budget in aanmerking komt.

Uitgangspunt is dat ouders verantwoordelijk zijn voor het opgroeien en de opvoeding van hun kinderen. Daarnaast is het uitgangspunt dat mensen die samen een leefeenheid vormen, elkaar horen te helpen, waar dat kan. Ze zijn dus ook gezamenlijk verantwoordelijk voor het creëren van een veilig klimaat waarin de jeugdigen kunnen opgroeien. Ze zijn ook gezamenlijk verantwoordelijk voor een huishouden. Het aandeel dat ieder lid van de leefeenheid geacht wordt bij te kunnen dragen aan het opvoeden en opgroeien wordt gebruikelijke hulp genoemd.

Lid 2 bevat een verwijzing naar de richtlijn gebruikelijke hulp die bij de beoordeling wordt gehanteerd. Deze richtlijn is voor wat betreft de gemeentelijke taken op het terrein van Jeugdhulp gebaseerd op hoofdstuk 4 van de CIZ indicatiewijzer 2014, zoals deze werd gehanteerd in de Algemene wet bijzondere ziektekosten.

Artikel 9: vormen van jeugdhulp

Lid 1

De Jeugdwet maakt een onderscheid tussen voorzieningen die rechtstreeks toegankelijk zijn zonder – of op basis van een beperkte – toegangsbeoordeling, en voorzieningen waarvoor een besluit van het college nodig is. Deze laatste worden in de Jeugdwet ‘individuele voorzieningen’ genoemd. De afbakening van algemene en individuele voorzieningen is een belangrijk beleidsinstrument van de gemeente. In de verordening worden deze voorzieningen op hoofdlijnen beschreven. In dit artikel van het besluit is opgenomen om welke voorzieningen het meer concreet gaat. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.

Lid 2

In tegenstelling tot de vrij toegankelijke jeugdhulp zijn de onder dit artikel genoemde vormen van jeugdhulp toegankelijk nadat een voorziening is toegekend door de gemeente als individuele voorzieningen of nadat een daartoe bevoegd orgaan de jeugdige en zijn ouders heeft verwezen.

Artikel 10: voorwaarden voor een persoonsgebonden budget

Lid 1

Het college handhaaft de verplichting uit de Awbz voor budgethouders Wmo en Jeugd om een budgetplan op te stellen. Dit plan ziet zowel op de inhoud van de voorgenomen hulp, als de daarvoor benodigde financiën. In de praktijk kan een budgetplan voortborduren of zelfs samenvallen met het persoonlijk plan of familiegroepsplan. Er wordt niettemin gekozen voor een onderscheidende term budgetplan omdat hieraan voorwaarden worden gesteld.

Het college kan op basis van het budgetplan toetsen of aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget is voldaan. Daarnaast vormt dit plan de basis om (periodiek) vast te stellen wat de zorg heeft opgeleverd. Daarmee wordt ook de kwaliteit en doelmatigheid van de jeugdhulp inzichtelijk.

Lid 2,3 en 4

Gemeenten hebben bij individuele voorzieningen, de verplichting tot het aanbieden van een pgb zodra er aan de drie wettelijke voorwaarden is voldaan. Dit geldt voor zover de wetgever de vorm van jeugdhulp niet nadrukkelijk heeft uitgesloten van verstrekking in pgb, zoals forensische jeugdhulp. Het gaat dan om de bekwaamheid van de aanvrager, zijn motivatie en de kwaliteit en effectiviteit van de hulp. Ten aanzien van de eerste en derde voorwaarde is sprake van gemeentelijke beoordelingsruimte. Zeker bij zwaardere ondersteuningsvormen, zoals maatschappelijke opvang, beschermd wonen en specialistische jeugdhulp zal goed gekeken worden naar of een cliënt regiemogelijkheden heeft en of de beoogde ondersteuning aansluit op de benodigde kwaliteit en de te behalen resultaten. Het oordeel van het college is hierin leidend. Cliënt kan hiertegen in bezwaar gaan.

Artikel 11: weigering persoonsgebonden budget

Lid 1

Het college verstrekt een persoonsgebonden budget alleen ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit in diverse uitspraken.

Lid 2

Het tweede lid bepaalt dat het niet in alle situaties mogelijk is een persoonsgebonden budget te ontvangen. Het gaat hierbij om situaties waarbij er door de omstandigheden onvoldoende zekerheid bestaat over de rechtmatige en/of doelmatige besteding van het persoonsgebonden budget. Aantoonbare efficiencyoverwegingen mogen een rol spelen. Het collectief systeem van aanvullend, al dan niet openbaar, vervoer, is een voorbeeld van een maatwerkvoorziening die in principe in natura wordt verstrekt. Hierbij zal wel altijd beoordeeld worden of er aanleiding is om hiervan af te wijken.

Artikel 12: tariefbepaling persoonsgebonden budget

Dit artikel bepaalt op welke wijze de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld. Daarbij gaat het bij jeugdhulp i.p. om tarieven voor dienstverlening.

Artikel 13: bestedingsmogelijkheden persoonsgebonden budget

Waar een persoonsgebonden budget aan mag worden besteed kan per individuele situatie verschillen. Naast een algemene vergoedingenlijst kan het college afwijkende bestedingsmogelijkheden toestaan en vastleggen in de beschikking

Artikel 14: uitbetalen van het persoonsgebonden budget

Vanaf 1 januari ontvangen cliënten met een persoonsgebonden budget het budget niet meer op de eigen rekening. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) is door het Rijk aangewezen om het geld voor de cliënt te beheren. De SVB betaalt de hulpverlener in opdracht van de cliënt op basis van een geaccordeerde (arbeids)overeenkomst. De invoering van dit zogenaamde trekkingsrecht is een reactie op de fraude met zorggelden en maakt dat er een integrale verantwoording vooraf plaatsvindt.

Indien sprake is van een persoonsgebonden budget voor een zaak, kan het college deze soort budgetten, vanwege het eenmalige karakter, ook betaalbaar stellen op rekening van de budgethouder.

Artikel 15: verantwoording en controle

Vanaf 1 januari ontvangen cliënten met een persoonsgebonden budget het budget niet meer op de eigen rekening. De SVB (Sociale Verzekeringsbank) is door het Rijk aangewezen om het geld voor de cliënt te beheren. De SVB betaalt de hulpverlener in opdracht van de cliënt op basis van een geaccordeerde (arbeids-)overeenkomst. De invoering van dit zogenaamde trekkingsrecht is een reactie op de fraude met zorggelden en maakt dat er een integrale verantwoording vooraf plaatsvindt.

Het college heeft de mogelijkheid tot een controle achteraf middels het uitvoeren van een steekproef. Deze mogelijkheid is onder andere opengelaten omdat de controle vooraf door de SVB nog verder dient te worden ontwikkeld.

Het 6e lid beschrijft de situaties wanneer aanleiding kan ontstaan een persoonsgebonden budget in te trekken en het reeds betaalbaar gestelde persoonsgebonden budget terug te vorderen, conform hetgeen hierover bepaald is in artikel 20 van de verordening.

Artikel 16: ouderbijdrage(vervallen per 1 januari 2017)

Artikel 17: inspraak en medezeggenschap

In dit artikel is geborgd dat eventuele adviesorganen in de gemeente niet alleen een formeel adviesrecht hebben, maar ook dat zij vroegtijdig betrokken worden en actief voorstellen voor beleid kunnen doen. Daarnaast is zo geregeld dat zij zijn toegerust voor hun taak. Voor de inspraakprocedures van de adviesraden zijn aparte regelingen van kracht.

Artikel 18: citeertitel en inwerkingtreding

Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.

Bijlage 1: richtlijn gebruikelijke hulp

1. Algemeen

Gebruikelijkehulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont.

In het onderzoek wordt beoordeeld of de gevraagde hulp en ondersteuning tot de gebruikelijke hulp behoort en of de gebruikelijke hulp ook daadwerkelijk geleverd kan worden.

Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties:

  • Kortdurend: er is uitzicht op herstel. Het gaat hierbij is het algemeen over een periode van maximaal drie maanden;
  • Langdurig: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig zal zijn.

In kortdurende situaties is het uitgangspunt dat deze als gebruikelijk wordt aangemerkt. Door het kortdurend karakter treedt doorgaans geen overbelasting op. In langdurige situaties is de hulp waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere inwonende huisgenoten) moet worden geleverd, algemeen gebruikelijke hulp.

Algemene uitzonderingen

Afhankelijk van de individuele situaties kan hulp, die naar algemeen aanvaarde maatstaven als gebruikelijke kan worden beschouwd hier toch niet gebruikelijk zijn.

Bijvoorbeeld wanneer:

  • Uit onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, handicap of probleem, of dat deze kennis/vaardigheden mist en deze ook niet kan aanleren, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden.
  • In een leefeenheid overbelasting dreigt, doordat, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp, door de (chronische) uitval van iemand uit de leefeenheid gezinsleden alsnog onevenredig belast worden.
  • de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot. Ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening zal dan van korte duur zijn (3-6 maanden) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen.
  • de zieke partner/huisgenoot zich in de terminale levensfase bevindt.

Er wordt daarbij telkens onderzoek gedaan naar de verhouding tussen draagkracht en draaglast van de individuele cliënt. Zie hiertoe hoofdstuk 4 van deze richtlijn. Ten aanzien van Persoonlijke Verzorging en Begeleiding worden deze uitzonderingen in hoofdstuk 3 nader uitgewerkt.

Fysieke afwezigheid

Indien de huisgenoot van een hulpvrager vanwege werk fysiek niet aanwezig is, wordt hiermee bij het indiceren uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke hulp worden geleverd. Wanneer de fysieke afwezigheid van de partner minder dan 7 etmalen bedraagt, zal er altijd onderzocht moeten worden of de huisgenoot feitelijk kan voorzien in het verlenen van de hulp.

Ouderlijke zorgplicht bij echtscheiding

Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp voor het huishouden en de onderlinge persoonlijke verzorging van partners. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder door te kijken naar de voor de rechtbank vastgelegde afspraken tussen de ex-echtgenoten.

Voor die perioden dat de kinderen bij de verzorgende – uitgevallen – ouder zijn kan er dan een indicatie voor opvang zijn. Als de zorgplicht door de niet-verzorgende ouder kennelijk niet wordt nagekomen, beschouwen we de situatie als een eenoudergezin.

2. Huishoudelijke taken

Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar

Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken.

  • Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen/opwarmen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen;
  • Uitstelbare taken zijn wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen.

Bijdrage van kinderen en jong-volwassenen aan het huishouden

In geval de leefeenheid van de hulpvrager mede bestaat uit kinderen, dan gaat de indicatiesteller ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.

  • Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.
  • Kinderen van 5 tot en met 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, kleding in de wasmand gooien.
  • Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

Taken van een 18–23 jarige

Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze een gedeelte van de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt.

Een 18–23 jarige wordt verondersteld de volgende taken uit te kunnen voeren:

  • schoonhouden van sanitaire ruimte,
  • keuken en een kamer,
  • de was doen,
  • boodschappen doen,
  • maaltijd verzorgen,
  • afwassen en opruimen.

Dit is genormeerd naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week.

Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden begeleiden. Vanaf 23 jaar wordt iemand geacht de huishoudelijke taken volledig over te nemen.

Kinderen jonger dan 23 jaar

Of en in welke mate de kinderen en jongvolwassenen in het huishouden betrokken worden in het overnemen van taken, is afhankelijk van de specifieke situatie en derhalve maatwerk. Ook het sociale netwerk van het gezin wordt betrokken.

Gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind

Kinderen 0 tot 3 jaar

  • Hebben bij alle activiteiten hulp van een ouder nodig;
  • Ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;
  • Zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;
  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
  • Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

  • Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijvoorbeeld de ouder kan de was ophangen in een andere kamer);
  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
  • Kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
  • Ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verhulpers;
  • Hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
  • Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
  • Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;
  • Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

  • Kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week;
  • Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld het kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is);
  • Hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;
  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
  • Zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
  • Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan.
  • Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

  • Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
  • Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;
  • Kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;
  • Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;
  • Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
  • Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;
  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijvoorbeeld huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
  • Hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

3. Gebruikelijke hulp bij de functies Persoonlijke Verzorging en Begeleiding

Dit hoofdstuk heeft specifiek betrekking op het bepalen van gebruikelijke hulp bij de functies Persoonlijke Verzorging (PV) en Begeleiding (BG). De richtlijn is gebaseerd op de voormalige Beleidsregels indicatiestelling AWBZ van VWS. Vanuit het oogpunt van continuïteit worden deze beleidsregels nu opgenomen in voorliggende richtlijn.

Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde zorg bieden, is de ondersteuningsbehoevende niet aangewezen op gemeentelijke maatwerkondersteuning wat betreft de functies Persoonlijke Verzorging en Begeleiding. Het hangt af van de sociale relatie welke zorg mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer zorg mensen elkaar horen te geven. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar zorg bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot de aanspraak op gemeentelijke maatwerkondersteuning.

Hoofdregels gebruikelijke hulp PV en BG

Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties. Dit onderscheid is eerder in de richtlijn reeds omschreven en geldt ook voor PV en BG.

Algemeen aanvaarde maatstaven:

  • In kortdurende situaties moet alle PV en BG door de gebruikelijke helper worden geboden.
  • In langdurige situaties is de zorg waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten) aan de ondersteuningsbehoevende moet worden geboden gebruikelijke hulp. Hieronder een schematische weergave van de hoofdregels gebruikelijke hulp. De inhoud van dit schema wordt in de rest van het hoofdstuk verder uitgeschreven.

Kortdurende situatie

Langdurige situatie

Partners onderling

– Alle PV

– Alle BG

– Gebruikelijke BG

Ouders aan kinderen

– Alle PV

– Alle BG

– Beschermende woonomgeving

– Gebruikelijke PV

– Gebruikelijke VP

– Gebruikelijke BG

– Beschermende woonomgeving

Volwassen inwonende kinderen

en/of andere volwassen huisgenoten onderling

– Alle BG

– Gebruikelijke BG

Afweging gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp

Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat aan tijdsbesteding bij die activiteit bij een gezond persoon gebruikelijk is. Daarbij omvat gebruikelijke hulp de zorg die iedereen nodig heeft (wassen, eten en dergelijke) maar ook de zorg die deze activiteiten in verband met gezondheidsproblemen vervangt.

Van bovengebruikelijke hulp is sprake wanneer mensen elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gewoon is. Voorbeeld: het is niet gebruikelijk dat een volwassene langdurig hulp nodig heeft bij de toiletgang. Hier is dus sprake van bovengebruikelijke hulp.

Algemene uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp aan volwassenen en kinderen voor de functies PV en BG

  • 1.
    Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke persoonlijke verzorging, en/of begeleiding voor de ondersteuningsbehoevende uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren, wordt van hen geen bijdrage verwacht. De betreffende ondersteuning kan worden geïndiceerd. Geobjectiveerde beperkingen zijn beperkingen gerelateerd aan gezondheidsproblemen. De reden dat de gebruikelijke helper de vaardigheden niet kan aanleren, moet worden gemotiveerd.
  • 2.
    Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem geen gebruikelijke persoonlijke verzorging en/of begeleiding verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Er kan in een dergelijke situatie in eerste instantie enkel een kortdurende indicatie worden afgegeven. Hierbij geldt het volgende:
    • a.
      Wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/ of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen moeten deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe worden aangewend. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde ondersteuning/zorg moet men die overbelasting opheffen door deze ondersteuning/zorg door (andere) hulpverleners uit te laten voeren/in te kopen;
    • b.
      Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke persoonlijke verzorging en/of begeleiding, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke persoonlijke verzorging en/of begeleiding voor op die maatschappelijke activiteiten.
  • 3.
    Voor zover de ondersteuningsbehoevende zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen bijdrage verwacht van een partner, ouder, kind en/of andere huisgenoot.

Persoonlijke Verzorging

Partners onderling

Kortdurende situaties

Van partners wordt verwacht dat zij elkaar Persoonlijke Verzorging bieden als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie (hierbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden) met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de ondersteuningsbehoevende, dat maatwerkondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Bijvoorbeeld wanneer de partner een been breekt. Deze zorg valt buiten de aanspraken van de gemeentelijke ondersteuningsplicht. De zorgplicht van partners onderling betreft de persoonlijke, lichaamsgebonden zorg in de vorm van assistentie bij, of overname van alle activiteiten die onder de functie PV vallen. Maar ook aandacht en begeleiding bij een aandoening horen hierbij. Cliëntsoevereiniteit behoort bij partners onderling niet tot de categorie uitzonderingen en is daarom hier niet van toepassing, ook niet vanwege geloofsovertuiging, culturele achtergrond of binnen een gezinssituatie waarin partners ruzie hebben.

Langdurende situaties

Als vanaf de start van de zorgsituatie duidelijk is dat de zorgsituatie een langdurig karakter heeft, is er geen sprake van gebruikelijke hulp. Er hoeft dan dus niet eerst drie maanden ‘gebruikelijke hulp’ door partners geleverd te worden, alvorens maatwerkondersteuning kan worden geïndiceerd.

Volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling

Persoonlijke Verzorging van volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten, anders dan partners onderling, is geen gebruikelijke hulp.

Partners onderling en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling

Aanleren aan derden

Het aanleren van handelingen op het gebied van Persoonlijke Verzorging aan derden (familie, vrienden) is gebruikelijke hulp. Als anderen dan de gebruikelijke helper de handelingen uitvoeren als de gebruikelijke helper niet aanwezig is, wordt van de gebruikelijke helper verwacht dat hij die handelingen zelf aan de desbetreffende persoon aanleert.

Begeleiding

Partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten onderling

Kortdurende situaties

Alle begeleiding van de ondersteuningsbehoevende door de partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de ondersteuningsbehoevende, dat maatwerkondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.

Langdurige situaties

Als het gaat om een chronische situatie is de Begeleiding van een volwassen ondersteuningsbehoevende gebruikelijke hulp wanneer die Begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoot in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgende vormen van begeleiding aan een ondersteuningsbehoevende:

  • Het geven van BG aan een ondersteuningsbehoevende op het terrein van de maatschappelijke participatie.
  • Het begeleiden van ondersteuningsbehoevende bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort.
  • Het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Dit kan worden overgenomen door een niet-beperkte huisgenoot wanneer die taak altijd door de nu beperkte ondersteuningsbehoevende werd uitgevoerd.

Aanleren aan derden

Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de ondersteuningsbehoevende is gebruikelijke hulp.

4. Richtlijn bij (dreigende) overbelasting van partner, ouder, volwassen kinden/of andere huisgenoten

Algemeen

De zorg voor een ziek kind of een zieke partner, kan zo zwaar worden dat van overbelasting sprake is. In de meeste gevallen is de bovengebruikelijke hulp die geïndiceerd wordt voldoende om deze overbelasting te voorkomen. Maar soms blijkt deze geïndiceerde hulp niet voldoende te zijn. In zulke gevallen kan de gebruikelijke Persoonlijke Verzorging en/of Begeleiding zo nodig geheel of gedeeltelijk geïndiceerd worden. Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk.

Beoordeling van overbelasting

Aan het indiceren van gebruikelijke hulp gaat het beoordelen van de overbelasting vooraf. Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Tekort schieten van het ‘coping mechanisme’ kan er de oorzaak van zijn; emotionele labiliteit en slapeloosheid het gevolg. Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt doordat er iets met de gebruikelijke helper zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat deze gevolg is van de ernst van de ziekte van het kind of de partner (draaglast verhoging).

De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch gebruikelijke hulptaken moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij taken overnemen, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn de gebruikelijke hulp te leveren. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel gebruiken behandelaars en hulpverleners vragenlijsten waarmee overbelasting (mede) onderbouwd kan worden. Niet alleen de omvang van de zorgtaken, maar ook de leveringsvoorwaarde van de zorg zijn van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke helper. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van de gebruikelijke helper noodzakelijk is.

Klachten en symptomen die bij een aanpassingsstoornis (DSM-IV-TR) optreden, kunnen op overbelasting wijzen zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn. Het gaat om klachten en symptomen zoals:

  • angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen;
  • depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid;
  • gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag;
  • gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord: depressie en/of angst gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag;
  • lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen.

Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand (aan partner of kind) biedt. Bij overbelasting door een dienstverband van teveel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Steeds zal daarom moeten worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden teruggedrongen, dit dan ook van een ouder, partner of huisgenoot wordt verwacht. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit verlopen is en een herindicatie wordt aangevraagd, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.

Bijlage 2: tarieven persoonsgebonden budgetten Wmo en Jeugdhulp

Tarieven nieuwe cliënten

Dienstverlening

Tariefbepaling

Informele hulp

Formele hulp

Huishoudelijke hulp

Per uur

€ 15,22

€ 15,22

Individuele begeleiding

Per uur

€ 18,18 euro loondienst

€ 15,22 euro pgb ingeval van alfadienstverlening

€ 32,68

Persoonlijke verzorging

Per uur

€ 18,18 euro loondienst

€ 15,22 euro pgb ingeval van alfadienstverlening

€ 24,62

Groepsbegeleiding

Per dagdeel

€ 18,18

€ 40,39

€ 44,55 met vervoer

Kortdurend verblijf

Per etmaal

€ 27,27

€ 91,81

Bijlage 3: richtlijn bestedingsmogelijkheden persoonsgebonden budget Wmo en jeugdhulp

Automatisch of handmatig accorderen zorgovereenkomsten

Keuze handmatig accorderen zodat de mogelijkheid voor controle door de gemeente tijdens het jaar mogelijk blijft.

De hoogte maximaal tarief per uur of dagdeel

Maximaal 100 euro

Gemeentelijk beleid relevant voor de uitvoering door budgethouder: budget dat niet rechtstreeks aan zorg wordt uitgegeven

Bemiddelingskosten

Nee

Administratiekosten

Nee

Vrij besteedbaar bedrag

1,5% van het (kalender)jaarbudget met een minimum van 60 euro en een maximum van 1250 euro.

Eenmalige uitkering

Geen eenmalige uitkering

Gemeentelijk beleid in uitvoering door de budgethouder als werk- of opdrachtgever:

budget dat volledig aan zorg wordt uitgegeven

Reiskosten

nee

Feestdagenuitkering

nee

Automatisch uitbetaald maandloon aan de zorgverlener

Ja