Officiele publicatie

Beleidsregels Bijzondere bijstand Gemeente Meerssen 2018 e.v.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

1.

Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet.

2.

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.
    het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente;
  • b.
    de wet: de Participatiewet;
  • c.
    algemene bijstand: bijstand, die wordt verstrekt voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals kosten van levensonderhoud, die uit het inkomen moeten worden voldaan;
  • d.
    bijzondere bijstand (artikel 35 van de wet): bijstand die bestemd is voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten, die niet kunnen worden voldaan uit het inkomen, de toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorziening en/of uit het aanwezige vermogen of uit de langdurigheidtoeslag;
  • e.
    bijstandsnorm: zoals bedoeld in artikel 20 tot en met 30 van de wet;
  • f.
    het inkomen: het inkomen zoals omschreven in artikel 32 van de wet, onder aftrek van hetgeen op grond van artikel 31 lid 2 van de wet niet tot de middelen wordt gerekend en van hetgeen op grond van artikel 33 lid 5 van de wet buiten beschouwing wordt gelaten;
  • g.
    het vermogen: het op het moment van aanvraag beschikbare vermogen zoals omschreven in artikel 34 van de wet;
  • h.
    Individuele inkomenstoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de wet;
  • i.
    voorliggende voorziening: een voorziening die naar aard en doel geacht wordt passend te zijn voor een belanghebbende, waardoor geen recht op bijzondere bijstand bestaat, zoals bedoeld in artikel 5 sub e en artikel 15 lid 1 van de wet;
  • j.
    maatwerk: bijzondere bijstand wordt primair op grond van de wettelijke bepalingen en deze beleidsregels vastgesteld, maar bij (zeer) bijzondere individuele omstandigheden die de persoon, zijn sociale omgeving of zijn gezin raken kan de bijstand afwijkend worden vastgesteld.

Artikel 2: Algemene bepalingen

1.

Aan bijzondere bijstand zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • a.
    de kosten moeten bijzonder zijn
    De bijzondere individuele situatie van de belanghebbende en/of zijn gezin bepaalt of kosten als bijzonder kunnen worden aangemerkt. Ook door medische of sociale omstandigheden kunnen kosten als bijzonder worden aangemerkt.
  • b.
    de kosten moeten noodzakelijk zijn
    Het is alleen mogelijk bijzondere bijstand te verlenen voor noodzakelijke kosten. Dit ter onderscheiding van wenselijke kosten. Om de noodzaak te bepalen, is het mogelijk dat advies bij een externe deskundige wordt ingewonnen. In ieder geval zijn de kosten zoals bedoeld in artikel 14 van de wet niet noodzakelijk.
  • c.
    de kosten kunnen niet door de belanghebbende zelf worden betaald
    In deze beleidsregels worden richtlijnen vastgesteld hoe om te gaan met het inkomen en vermogen.
  • d.
    goedkoopst adequaat
    In het kader van de wet ligt het niveau van de voor bijstandsverlening vatbare bijzondere voorzieningen op het niveau van het minimum. Dat wil zeggen dat de meest goedkope en simpele voorziening een adequaat noodzakelijke oplossing is en als passend en toereikend wordt geacht.
2.

Op de verstrekking van de bijzondere noodzakelijke kosten, worden kosten die voor een ieder algemeen gebruikelijk zijn, in mindering gebracht.

Artikel 3: Voorliggende voorziening

1.

Wanneer gebruik kan worden gemaakt van een voorziening buiten de wet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel beroep kan doen ter verwerving van middelen of ter betaling van specifieke uitgaven, bestaat geen recht op bijzondere bijstand.

2.

Een lening bij de Kredietbank Limburg (KBL) wordt bij een aanvraag voor duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten als een voorliggende voorziening gezien, tenzij belanghebbende op het moment van aanvraag in een lopend minnelijk of wettelijk (WSNP) schuldhulpverleningstraject zit of een aanvraag schuldhulpverlening loopt bij de uitvoerende schuldhulpverleningsorganisatie.

3.

Voor de specifieke doelgroep oggz, ggz en daklozen, wordt een lening bij de KBL éénmalig niet als voorliggende voorziening gezien wanneer sprake is van kosten van de waarborgsom en de eerste huur. Dit ter bevordering van een snellere instroom naar huisvesting.

4.

Kosten voor schuldhulpverlening en budgetbeheer worden niet via de individuele bijzondere bijstand vergoed, omdat het inkoopcontract met de uitvoeringsorganisatie schuldhulpverlening hierin voorziet en daarom gezien wordt als voorliggende voorziening.

Artikel 4: Vormen van bijzondere bijstand

1.

Tenzij deze beleidsregels anders bepalen, wordt bijzondere bijstand verstrekt als een uitkering om niet (zonder terugbetalingsverplichting).

2.

Tenzij deze beleidsregels anders bepalen wordt bijzondere bijstand voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen verstrekt in de vorm van een lening ( met terugbetalingsverplichting).

3.

In geval van tekortschietend besef van eigen verantwoordelijkheid kan de gevraagde bijzondere bijstand gedeeltelijk of volledig worden geweigerd.

4.

De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een lening verstrekt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op termijn over voldoende middelen zal beschikken om de desbetreffende noodzakelijke bijzondere kosten te voldoen, of indien de belanghebbende wel over in aanmerking te nemen vermogen beschikt, maar dit binnen een redelijke termijn niet of bezwaarlijk liquide kan maken.

Artikel 5: De aanvraag

1.

Bijzondere bijstand wordt op aanvraag verstrekt. Kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

2.

Van het eerste lid kan worden afgeweken indien:

  • a.
    de aanvrager redelijkerwijs de aanvraag niet vooraf heeft kunnen indienen; of
  • b.
    indien er bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om voor de reeds gemaakte kosten bijstand te verstrekken.
3.

Wanneer het genoemde in het tweede lid zich voordoet kan bijstand worden verleend met terugwerkende kracht tot maximaal 12 maanden.

Hoofdstuk 2. Draagkracht en draagkrachtperiode

Artikel 6: Het vermogen en inkomen bij bijzondere bijstand

1.

Voor de vaststelling van het inkomen en het vermogen worden respectievelijk artikel 31 t/m 34 van de wet aangehouden.

2.

Bij de vaststelling van het inkomen wordt een verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing gelaten.

3.

Van het in aanmerking te nemen inkomen worden de middelen bedoeld in artikel 31 lid 2 van de wet niet tot het inkomen van belanghebbende gerekend.

4.

Het in aanmerking te nemen inkomen wordt verlaagd met:

  • a.
    feitelijke betalingen voor levensonderhoud ten behoeve van een niet in het gezinsverband levende echtgenoot of kinderen tot 21 jaar;
  • b.
    verschuldigde belastingen over buitenlandse pensioenen.
5.

Bij het volgens artikel 31 en 32 van de wet voor draagkracht in aanmerking te nemen inkomen exclusief vakantiegeld, behoudens de in het 7e lid genoemde uitzonderingen, wordt bij een inkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeld geen draagkracht berekend (dat wil zeggen: vrijlating tot 120% van de geldende bijstandsnorm exclusief vakantiegeld).

6.

Van het voor draagkracht in aanmerking te nemen inkomen (boven de 120%), wordt een systeem gehanteerd waarbij 3 draagkrachtpercentages worden toegepast, nl.:

  • a.
    15 % wanneer het kosten betreft die bijdragen aan het zelfstandig kunnen blijven wonen;
  • b.
    50 % bij reguliere bijzondere kosten;
  • c.
    35 % wanneer de aanvraag een combinatie van beide kostensoorten betreft.
7.

Voor de onderstaande kosten is de vrijlating genoemd onder lid 5 en draagkrachtbepaling onder lid 6 van deze beleidsregels niet van toepassing.

  • a.
    duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten;
  • b.
    aanvullende bijstand levensonderhoud jongeren tot 21 jaar;
  • c.
    woonkostentoeslag.
    Voor deze kosten wordt tevens van het voor draagkracht in aanmerking te nemen inkomen, 100% als draagkracht in aanmerking genomen bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand.

Artikel 7: Draagkrachtperiode

1.

De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn.

2.

De draagkracht kan voor een langere periode vastgesteld worden, indien de periode waarop de kosten betrekking hebben daartoe aanleiding geven of wanneer sprake is van een vast inkomen.

Artikel 8: Draagkrachtverrekening

1.

De draagkracht wordt in één keer met de bijzondere bijstand verrekend.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt, in geval van periodieke bijzondere bijstand, de draagkracht verrekend naar rato van het aantal maanden van de periode waarop deze bijstand betrekking heeft.

Artikel 9: Wijziging draagkracht(periode)

Een vastgestelde draagkracht of draagkrachtperiode kan slechts gewijzigd worden, indien een wijziging van de persoonlijke of financiële situatie van de belanghebbende daartoe aanleiding geeft.

Hoofdstuk 3. Overige bepalingen

Artikel 10: Overige en slotbepalingen

1.

In verband met het vaststellen van de noodzaak van de gemaakte kosten kan zo nodig advies worden ingewonnen bij derden. Hieronder valt ook het opvragen van een medisch advies.

2.

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere invulling geven aan de in deze beleidsregels gegeven regels.

3.

Deze regels kunnen worden aangehaald als Beleidsregels Bijzondere bijstand gemeente Meerssen 2018 e.v.

4.

Deze beleidsregels treden op 1 januari 2018 in werking.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, in haar vergadering van 24 oktober 2017.
de secretaris,
Mr. J.J.M. Eurlings M.A.H. Clermonts-Aretz
de burgemeester