Officiele publicatie

Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015

De raad van de gemeente Meerssen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 september 2014;

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4,eerste, tweede,derde enzevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

gezien het advies van de raadsadviescommissie (rav) van 2 oktober 2014;

overwegende:

  • dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
  • dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;
  • dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;
  • dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en
  • dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;
  • dat ten behoeve van de uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet, betreffende de tegemoetkoming van meerkosten aan personen met een beperking of chronische problemen, wordt verwezen naar het addendum bij het Beleidsplan Wmo 2012-2015 gemeente Meerssen.

besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Meerssen 2015

Hoofdstuk 1: begripsbepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • 1.
    algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;
  • 2.
    Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning
  • 3.
    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
  • 4.
    besluit (nadere regels): Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Meerssen;
  • 5.
    bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;
  • 6.
    gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;
  • 7.
    cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;
  • 8.
    gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
  • 9.
    hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
  • 10.
    ingezetene: cliënt die het hoofdverblijf heeft in de gemeente Meerssen;
  • 11.
    mantelzorg/mantelzorger: mantelzorg is onbetaalde ondersteuning en zorg voor een (chronisch) zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, ouder/opvoeder, kind of ander familielid, vriend of kennis. Mantelzorg is vaak langdurig en intensief en wordt niet vanuit een beroep verleend. De mantelzorger geeft onbetaald ondersteuning omdat hij/zij een persoonlijke band heeft met de hulpvrager. Mantelzorger kan allerlei vormen van zorg/hulp omvatten zoals huishoudelijke hulp, verzorging, begeleiding, emotionele steun of toezicht;

12. (zorg)vrijwilliger: is degene die in enig organisatorisch verband onverplicht en onbetaald werkzaamheden verricht ten behoeve van anderen en/of de samenleving waarbij een maatschappelijk belang wordt gediend.(Zorg)vrijwilligers verrichten nooit verpleegkundige taken/handelingen;

13.maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

    • a.
      ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,
    • b.
      ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,
    • c.
      ten behoeve van beschermd wonen en opvang;
    • 14.
      melding: melding van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;
    • 15.
      ondersteuningsplan: de schriftelijke verslaglegging van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, alsmede de beoogde resultaten en de evaluatie daarvan;
    • 16.
      persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;
    • 17.
      pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;
    • 18.
      verslag: een weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet;
    • 19.
      voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;
    • 20.
      wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Hoofdstuk 2: melding en onderzoek

Artikel 2. Melding hulpvraag

1.

Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

2.

Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

3.

In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

1.

Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

2.

Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning.

Artikel 4. Persoonlijk plan

1.

Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

2.

Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het eerste lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6.

Artikel 5. Vooronderzoek

1.

Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

2.

De cliënt verschaft het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

3.

Als de cliënt en zijn situatie genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 6. Gesprek

1.

Het college onderzoekt in een gesprek met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers, desgewenst familie of cliëntondersteuner, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

  • a.
    de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling van de cliënt en het probleem of de hulpvraag;
  • b.
    het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;
  • c.
    de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;
  • d.
    de mogelijkheden om met mantelzorg en/of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;
  • e.
    de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt, de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;
  • f.
    de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
  • g.
    de noodzaak om een maatwerkvoorziening te verstrekken;
  • h.
    welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en
  • i.
    de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
2.

Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken..

3.

Als de hulpvraag en de situatie van cliënt (artikel 2.3.2. lid 4 van de wet) genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 7. Verslag

1.

De cliënt ontvangt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Indien er een ondersteuningsplan wordt opgesteld geldt dat als verslag van het onderzoek.

2.

Na het gesprek verstrekt het college het verslag aan de cliënt.

3.

De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt over dit verslag zullen als bijlage aan het verslag worden toegevoegd.

Hoofdstuk 3: Proceswaarborgen voor cliënt

Artikel 8. Second opinion, klachtregeling

1.

Het college stelt een regeling vast die cliënt de mogelijkheid biedt van een herbeoordeling van de melding door een andere medewerker voor de gevallen dat cliënt en de medewerker niet tot overeenstemming komen over een ondersteuningsplan.

2.

Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

Artikel 9. Periodiek onderzoek en nazorg

1.

Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet te heroverwegen.

2.

Het college onderzoekt in gevallen waar de melding is afgesloten met een ondersteuningsplan periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, of het in het ondersteuningsplan beoogde doel wordt bereikt.

3.

Het college kan in het besluit nadere regels stellen ten aanzien van lid 1 en 2

Hoofdstuk 4: Aanvraag en beschikking

Artikel 10. Aanvraag

1.

Een aanvraag als bedoeld in 2.3.5. van de wet kan niet worden gedaan eerder dan het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen een termijn van zes weken na de melding.

2.

Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag indienen bij het college.

3.

Een aanvraag dient altijd schriftelijk te worden ingediend.

4.

De cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, verstrekt het college desgevraagd terstond een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

5.

Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 11. Beoordeling van de aanspraak

1.

Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

2.

Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

  • a.
    ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 6 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven,en
  • b.
    ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 6 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
3.

Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

4.

Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,

  • a.
    tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
  • b.
    tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of
  • c.
    als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.
5.

Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

6.

Het college kan in het besluit nadere regels stellen ten aanzien van de beoordeling van de aanspraak.

Artikel 12. Inhoud beschikking

1.

In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

2.

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a.
    welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;
  • b.
    wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is, hoe de voorziening wordt verstrekt, en
  • c.
    of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
3.

Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a.
    voor welk resultaat het pgb dient te worden aangewend;
  • b.
    welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
  • c.
    wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
  • d.
    wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;
  • e.
    de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb en
  • f.
    of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten.

Hoofdstuk 5: persoonsgebonden budget

Artikel 13. Regels voor pgb

1.

Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt.

2.

Het tarief voor een pgb:

  • a.
    is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld en door het college vastgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;
  • b.
    is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen, en
  • c.
    bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.
3.

De hoogte van een pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.

4.

De hoogte van een pgbvoor een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering.

5.

Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden betreffende het tarief, een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk.

Hoofdstuk 6: bijdrage aan voorzieningen

Artikel 14. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s

1.

Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het Besluit maatschappelijke ondersteuning, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.

2.

De onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt, zijn een bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt.

3.

Het college bepaalt bij nadere regeling:

  • a.
    op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en pgb wordt bepaald, en
  • b.
    door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en geïnd.

Artikel 15. Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

1.Het college kan bij nadere regeling bepalen:

  • a.
    voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is verschuldigd;
  • b.
    wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage is;
  • c.
    of en zo ja voor welke groep of groepen personen een korting geldt op de bijdrage voor een algemene voorziening.

Hoofdstuk 7: kwaliteit en toezicht

Artikel 16. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

1.

Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

  • a.
    het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;
  • b.
    het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg waaronder informele zorg;
  • c.
    erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;
2.

Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen

3.

Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn.

4.

Het college kan bij nadere regeling, in overeenkomsten en bij subsidieverlening aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, goed werkgeverschap, de klachtregeling en medezeggenschapseisen daaronder begrepen.

5.

Het college ziet toe op de naleving van de eisen die voortvloeien uit lid 1 tot en met 4, in ieder geval door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

1.

Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

2.

Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

3.

De toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

4.

Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 18. Controle gebruik maatwerkvoorziening en bestedingen persoonsgebonden budgetten

1.

Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

2.

Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.

Hoofdstuk 8: herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 19. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

1.

Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

2.

Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

  • a.
    de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
  • b.
    de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;
  • c.
    de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;
  • d.
    de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of
  • e.
    de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt;
  • f.
    wijzigingen in het landelijk en/of gemeentelijk beleid hier aanleiding toe geven.
3.

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

4.

Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

5.

Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

6.

Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

7.

Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.

Hoofdstuk 9: waardering mantelzorgers

Artikel 20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

1.Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat en stelt de criteria hiervoor vast.

Hoofdstuk 10: medezeggenschap en inspraak

Artikel 21. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

1.

Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

2.

Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

3.

Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

4.

Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 11: overige bepalingen

Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

1.

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:

  • a.
    de aard en omvang van de te verrichten taken;
  • b.
    de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie.
  • c.
    een redelijke toeslag voor overheadkosten, en
  • d.
    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg.
2.

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:

  • a.
    de marktprijs van de voorziening, en
  • b.
    de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
    instructie over het gebruik van de voorziening, onderhoud van de voorziening, en verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal wijkteams).

Artikel 23. Evaluatie

1.Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk

Artikel 24. Nadere regels en hardheidsclausule

1.

In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

2.

Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

3.

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt

Artikel 25. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

1.

De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Meerssen 2013 wordt ingetrokken.

2.

Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Meerssen 2013, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

3.

Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Meerssen 2013 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

4.

Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Meerssen 2013, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

5.

Een krachtens de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Meerssen 2013 toegekende voorziening geldt als voorziening toegekend krachtens deze verordening.

Hoofdstuk 12: slotbepaling

Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel

1.

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

2.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Meerssen 2015.

Bij deze verordening zit een bijlage: Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning 2015