Officiele publicatie

Verordening jeugdhulp 2015

De raad van de gemeente Meerssen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 september 2014 ;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet;

gezien het advies van de raadsadviescommissie (rav) van 2 oktober 2014;

[overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulpbij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; en dat hetnoodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;]

besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp 2015 gemeente Meerssen

Hoofdstuk 1: Begripsbepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • 1.
    andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
  • 2.
    overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
  • 3.
    hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de wet;
  • 4.
    individuele voorziening: op de jeugdige en/of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
  • 5.
    melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid;
  • 6.
    besluit nadere regels: Besluit Jeugdhulp 2015 gemeente Meerssen
  • 7.
    gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 7;
  • 8.
    verslag: een weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 8;
  • 9.
    persoonlijk plan: plan waarin en jeugdige en/of zijn ouders de omstandigheden als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de Wet maatschappelijke ondersteuning, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;
  • 10.
    familiegroepsplan: de schriftelijke verslaglegging van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouders zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, alsmede de beoogde resultaten en de evaluatie daarvan;
  • 11.
    pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;
  • 12.
    wet: Jeugdwet.

Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp

Artikel 2. Vormen van jeugdhulp

1.

De Raad legt vormen van ondersteuning op hoofdlijnen vast en delegeert uitwerking aan college.

2.

Het college draagt zorg voor een flexibel aanbod aan preventie en jeugdhulp en maakt daarbij een onderscheid tussen de ondersteuningsvormen en voorzieningen die algemeen toegankelijk zijn (of met een lichte toegangstoets) en de individuele voorzieningen.

3.

De ondersteuning die geboden wordt vanuit het flexibel aanbod kan bestaan uit:

  • a.
    ondersteuning bij vraagverheldering en basisdiagnostiek van de jeugdige en zijn ouders;
  • b.
    advisering over de aangewezen individuele voorziening
  • c.
    ondersteuning van, hulp aan of zorg voor jeugdigen en hun ouders gericht op het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen, of omgaan met gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders en adoptiegerelateerde problemen;
  • d.
    het begeleiden van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijk of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of psychosociale problemen met als doel het bevorderen van hun deelname aan het maatschappelijk verkeer en van hun zelfstandig functioneren;
  • e.
    het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging van jeugdigen;
  • f.
    het ondersteunen van ouders van jeugdigen ter voorkoming van overbelasting (respijtzorg);
  • g.
    het vervoer van een jeugdige van en naar een locatie waar de ondersteuning, hulp of zorg wordt verleend;
  • h.
    het tot stand brengen van een familiegroepsplan
4.

Tot de individuele voorzieningen behoren in ieder geval:

  • a.
    jeugdhulp met verblijf
  • b.
    vormen van specialistische jeugdhulp, waaronder geestelijke gezondheidszorg en zorg voor jeugdige (licht)verstandelijk beperkten
  • c.
    pleegzorg
  • d.
    intensief casemanagement door de gecertificeerde instelling in het kader van drang en dwang
5.

Het college stelt bij nadere regeling vast welke voorzieningen op basis van artikel 2, tweede lid beschikbaar zijn.

Hoofdstuk 3: Melding en onderzoek

Artikel 3: Melding hulpvraag

1.

Een hulpvraag kan door of namens jeugdigen en ouders bij het college worden gemeld.

2.

Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

3.

In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.

4.

Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening (is toegang zonder gemeente).

Artikel 4. Cliëntondersteuning

1.

Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

2.

Het college wijst de jeugdige en/of zijn ouders voor het onderzoek, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning (zoals bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet maatschappelijke ondersteuning 2015).

Artikel 5. Persoonlijk plan

1.

Het college brengt de jeugdige en/of zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en stelt hen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

2.

Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het eerste lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in artikel 7.

Artikel 6. Vooronderzoek

1.

Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 7, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

2.

De jeugdige en/of zijn ouders verschaffen voor het gesprek alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

3.

Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 7. Gesprek

1.

Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders en/of cliëntondersteuner, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

  • a.
    De aard en ernst van de opgroei- of opvoedingsproblemen, de psychische problemen en stoornissen.
  • b.
    de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;
  • c.
    het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
  • d.
    het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
  • e.
    de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;
  • f.
    de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;
  • g.
    de noodzaak om een individuele voorziening te verstrekken;
  • h.
    de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
  • i.
    hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en
  • j.
    de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.
2.

In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 van de wet informeert het college de ouders dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe deze bijdrage wordt geïnd

3.

Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken.

4.

Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek.

5.

Als de jeugdige en/of zijn ouders een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 5 eerste lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8. Verslag

1.

De jeugdige en/of zijn ouders ontvangen een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Indien er een plan wordt opgesteld geldt dat als verslag van het onderzoek.

2.

Na het gesprek verstrekt het college het verslag aan de cliënt.

3.

De jeugdige en/of zijn ouders tekenen het verslag voor gezien of akkoord. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt over dit verslag zullen als bijlage aan het verslag worden toegevoegd.

Hoofdstuk 4: Proceswaarborgen voor jeugdige en/of zijn ouders

Artikel 9. Second opinion, klachtregeling

1.

Het college stelt een regeling vast die de jeugdige en/of zijn ouders de mogelijkheid biedt van een herbeoordeling van de melding door een andere medewerker voor de gevallen dat de jeugdige en/of zijn ouders en de medewerker niet tot overeenstemming komen over een familiegroepsplan.

2.

Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van de jeugdige en/of zijn ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

Artikel 10. Periodiek onderzoek en nazorg

1.

Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing te heroverwegen.

2.

Het college onderzoekt periodiek al dan niet steekproefsgewijs, of het in het familiegroepsplan beoogde doel wordt bereikt.

3.

Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van lid 1 en 2 in het Besluit nadere regels .

Hoofdstuk 5: Toegang via huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Artikel 11. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

1.

Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

2.

Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 13.

Hoofdstuk 6: Aanvraagen beschikking

Artikel 12. Aanvraag

1.

Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening indienen bij het college.

2.

Een aanvraag dient altijd schriftelijk te worden ingediend.

3.

Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven.

Artikel 13. Inhoud beschikking

1.

In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

2.

Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a.
    welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;
  • b.
    wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is, hoe de voorziening wordt verstrekt., en
  • c.
    of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
3.

Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a.
    voor welk resultaat het pgb dient te worden aangewend;
  • b.
    welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
  • c.
    wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
  • d.
    wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
  • e.
    de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb en
  • f.
    of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.
4.

Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd.

Hoofdstuk 7: Persoonsgebonden budget

Artikel 14. Regels voor pgb

1.

Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt.

2.

Het tarief voor een pgb:

  • a.
    is gebaseerd op een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld en door het college vastgesteld plan over hoe zij het pgb gaan besteden;
  • b.
    is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen, en
  • c.
    bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.
3.

De hoogte van een pgb is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.

4.

Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Hoofdstuk 8: bijdrage aan voorzieningen

Artikel 15. Regels voor bijdrage in de kosten van individuele voorzieningen dan wel pgb’s

Het college bepaalt bij nadere regeling:

  • a.
    op welke wijze de kostprijs van een individuele voorzienig en pgb wordt bepaald
  • b.
    door welke andere instantie dan het CAK de bijdrage voor een individuele voorziening of pgb worden vastgesteld en geïnd

Artikel 16. Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

2.Het college kan bij nadere regeling bepalen:

  • a.
    voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, de jeugdige en/of zijn ouders een bijdrage is verschuldigd;
  • b.
    wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage is;
  • c.
    of en zo ja voor welke groep of groepen personen een korting geldt op de bijdrage voor een algemene voorziening.

Hoofdstuk 9: Kwaliteit en toezicht

Artikel 17. Kwaliteitseisen jeugdhulp

1.

Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

  • a.
    het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of zijn ouders;
  • b.
    het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg waaronder informele zorg;
  • c.
    erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;
2.

Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdige en/of zijn ouders ten aanzien van alle voorzieningen.

3.

Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang.

4.

Het college kan bij nadere regeling, in overeenkomsten en bij subsidieverlening aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten goed werkgeverschap,de klachtregeling en medezeggenschapseisen daaronder begrepen.

5.

Het college ziet toe op de naleving van de eisen die voortvloeien uit lid 1 tot en met 4, in ieder geval door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 18. Vertrouwenspersoon

1.

Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

2.

Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Artikel 19. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

1.

Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

2.

Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

3.

De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van deze verordening, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

4.

Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 20. Controle gebruik individuele voorziening en bestedingen pgb

1.Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

2.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding in het Besluit nadere regels.

Hoofdstuk 10: Herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 21. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

1.

Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.

2.

Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

  • a.
    de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
  • b.
    de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen;
  • c.
    de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;
  • d.
    de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of
  • e.
    de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.
  • f.
    Wijzigingen in het landelijk en/of gemeentelijk beleid hier aanleiding toe geven.
3.

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

4.

Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a. heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de jeugdige en/of zijn ouders opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de jeugdige en/of zijn ouders en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.

5.

Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.

Hoofdstuk 11: Medezeggenschap en inspraak

Artikel 22. Betrekken van ingezetene bij het beleid

1.

Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

2.

Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

3.

Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

4.

Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 12: Afstemmen met andere voorzieningen

Artikel 23. Afstemming met Gezondheidszorg

1.

Het college maakt afspraken met de huisartsen, jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 2 en de huisartsenzorg inclusief de praktijkondersteuning huisarts (geestelijke gezondheidszorg).

2.

Het college maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel g van de wet en artikel 11, eerste lid van deze verordening, plaatsvindt.

3.

Het college maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de wijze waarop de verwijzing bekrachtigd wordt in een besluit van het college met in achtneming van het gestelde in artikel 11, tweede lid van deze verordening.

4.

Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars hoe de continuïteit van de persoonlijke verzorging, geestelijke gezondheidszorg en gehandicaptenzorg te garanderen, voor jeugdigen die in behandeling zijn en de leeftijd van achttien jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen.

Artikel 24. Afstemming met Gecertificeerde instellingen

1.

Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in artikel 2, tweede lid van deze verordening en de gecertificeerde instellingen.

2.

Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp op basis van het besluit van de gecertificeerde instelling ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel conform artikel 3.5 eerste lid van de wet of ter de uitvoering van jeugdreclassering conform 2.4 tweede lid onder b van de wet.

3.

Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over

  • 1.
    het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5 eerste lid van de wet,
  • 2.
    het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;
  • 3.
    de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt,
  • 4.
    wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouders,
  • 5.
    hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden,
  • 6.
    hoe de gecertificeerde instelling zich inzet bij het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen.
4.

Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het derde lid vast in een protocol.

Artikel 25. Afstemming met Justitiedomein

1.

Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp op basis van het besluit van de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing conform 2.4 tweede lid onder b van de wet.

2.

Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichting over het overleg over de inzet van jeugdhulp zoals bedoeld in het eerste lid.

3.

Het college en de gecertificeerde instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het tweede lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 24.4 van deze verordening. Met de Raad voor de Kinderbescherming wordt eveneens een protocol opgesteld.

Artikel 26. Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling

1.Het college zorgt voor een heldere opdracht van het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling richting de algemene voorzieningen als bedoeld in deze verordening, op bovenlokaal niveau zal het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling minimaal de volgende taken uitvoeren:

a.fungeren als meldpunt voor gevallen/vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling;

  • b.
    verlenen van informatie, advies en consult aan de melder/vrager;
  • c.
    onderzoek doen naar aanleiding van een melding;
  • d.
    indien nodig inschakelen van politie, gecertificeerde instelling, Raad voor de Kinderbescherming en andere passende hulpverlening.

2.Het college maakt afspraken met het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling over het proces van toekennen van individuele voorzieningen zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid van deze verordening.

Artikel 27. Afstemmen met Onderwijs

1.

Het college maakt afspraken met de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs en de schoolbesturen speciaal onderwijs over

  • a.
    de afstemming tussen de overige voorzieningen als bedoeld in artikel 2.2 en het onderwijs en voorzieningen op de scholen.
  • b.
    de afstemming, voor zover en indien noodzakelijk, bij het toekennen van individuele voorzieningen voor leerlingen en hun ouders.
2.

Het college en de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs leggen de afspraken als bedoeld in het eerste lid vast in een protocol.

Artikel 28. Wmo-voorzieningen

Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Wet maatschappelijk ondersteuning.

  • a.
    Het college draagt zorg voor een goede afstemming van de voorzieningen voor jeugdigen op grond van deze verordening en voorzieningen volwassenen, zijnde ouders, op grond van de Wet maatschappelijk ondersteuning, in bijzonder de cliëntondersteuning en begeleiding van volwassenen.
  • a.
    Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg onder haar verantwoordelijkheid bij de overgang bij 18 jaar.

Artikel 29. Voorzieningen werk en inkomen

1.

Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en (re-integratie)voorzieningen voor jeugdigen in het kader op grond van de Participatiewet, waaronder leerwerktrajecten.

2.

Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor volwassenen, zijnde ouders, op grond van de Participatiewet, waaronder armoedevoorzieningen.

Hoofdstuk 13: Overige bepalingen

Artikel 30. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

1.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

  • a.
    de aard en omvang van de te verrichten taken;
  • b.
    de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;
  • c.
    een redelijke toeslag voor overheadkosten;
  • d.
    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
  • 2.
    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:
  • a.
    de marktprijs van de voorziening en
  • b.
    de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals verplichte deelname aan samenwerkingsverbanden, zoals het sociale team.

Artikel 31. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk

Artikel 32. Nadere regels en hardheidsclausule

1.

In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

2.

Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

3.

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt

Hoofdstuk 14: slotbepaling

Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel

1.

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

2.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Meerssen2015.

Bij deze verordening zit een bijlage: toelichting verordening Jeugdhulp 2015