Officiele publicatie

Uitvoeringsbesluit boetes Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2017 e. v.

Status: versie besluitvorming

Datum: 6 maart 2017

  • Overwegende dat op grond van artikel 18a, vierde lid van de Participatiewet, artikel 20a, vierde lid van de IOAW en artikel 20a, vierde lid van de 10AZ nader invulling kan worden gegeven aan de bevoegdheid van het college om in bepaalde gevallen een waarschuwing op te leggen in plaats van een bestuurlijke boete;
  • Met in achtneming van hetgeen vermeld staat in de Kamerbrief van 16 december 2014 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de voorzitter van de Tweede Kamer en de Verzamelbrief 2014–3 van 19 december 2014 van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2014 en 11 januari 2016, het wetsvoorstel tot wijziging van de Fraudewet en het ontwerpbesluit tot wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten

Besluiten de colleges van de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Maastricht, Meerssen, Vaals en Valkenburg a/d Geul het Uitvoeringsbesluit Boetes Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2017 e.v. vast te stellen.

Artikel 1 Begrippen

De begrippen in dit uitvoeringsbesluit hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ).

Artikel 2 Waarschuwing bij geen benadelingsbedrag, bij een benadelingsbedrag < € 150 of bij zelfmelding

  • 1.
    • a.
      indien het niet of niet behoorlijk nakomen door belanghebbende van de inlichtingenplicht
      • niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag of;
      • indien het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150 of;
      • indien belanghebbende binnen 60 dagen na het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht alsnog uit eigen beweging juiste en volledige informatie verstrekt (zogeheten ‘zelfmelders’), vóórdat het college die schending constateert;
    • ziet het college af van het opleggen van een boete en volstaat met het geven van een schriftelijkewaarschuwing,
    • b.
      tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing of een boete is gegeven. In dat geval legt het college:
      • i.
        bij een benadelingsbedrag dat hoger is dan € 100 een boete op overeenkomstig het bepaalde in artikel 18a Participatiewet;
      • ii.
        bij geen benadelingsbedrag of een benadelingsbedrag van € 100 of lager een boete op van ten minste:
        • € 100 indien sprake is van opzet;
        • € 75 wanneer het gaat om grove schuld;
        • € 50 indien sprake is van normale verwijtbaarheid en;
        • € 25 wanneer het gaat om verminderde verwijtbaarheid.
  • 2.
    Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht door belanghebbende in de aanvraagfase van een uitkering of bij een lopende uitkering ertoe leidt dat het recht op uitkering niet kan warden vastgesteld en er verder geen sprake is van een benadelingsbedrag, dan wordt in afwijking van het eerste lid geen waarschuwing of boete opgelegd. De uitkeringsaanvraag wordt in dat geval buiten behandeling gesteld dan wel afgewezen. Een lopende uitkering wordt opgeschort en eventueel beëindigd.

Artikel 3 Afronding boete

De boete wordt naar beneden afgerond op hele euro’s.

Artikel 4 Afstemming boete op inkomen

1.

Een boete wordt lager vastgesteld als het inkomen daartoe aanleiding geeft.

2.

De boete die, gelet op het inkomen, ten hoogste kan worden opgelegd, wordt als volgt berekend:

  • a.
    Ontvangt belanghebbende ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete een bijstandsuitkering, dan wordt de hoogte van de boete afgestemd op basis van zijn fictieve draagkracht. Deze fictieve draagkracht bedraagt 10% van de dan van toepassing zijnde bijstandsnorm, waartoe ook de kostendelersnorm wordt gerekend.
  • b.
    Ontvangt belanghebbende ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete geen bijstandsuitkering, dan wordt de hoogte van de boete afgestemd op basis van zijn fictieve draagkracht. Deze fictieve draagkracht komt overeen met de meerinkomsten die belanghebbende op dat moment ontvangt boven 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, waartoe niet de kostendelersnorm wordt gerekend.
3.

De duur van de fictieve draagkracht zoals bedoeld in lid 2, onder a en b bedraagt:

  • 24 maanden, indien sprake is van opzet;
  • 18 maanden, wanneer sprake is van grove schuld;
  • 12 maanden, indien sprake is van normale verwijtbaarheid en;
  • 6 maanden, wanneer het gaat om verminderde verwijtbaarheid.
4.

Bij recidive gelden dezelfde termijnen als bedoeld in het derde lid.

Artikel 5 Vermogen

Bij het bepalen van de fictieve draagkracht als bedoeld in artikel 4 wordt het vermogen van belanghebbende buiten beschouwing gelaten.

Artikel 6 Inwerkingtreding en citeertitel

1.

Dit uitvoeringsbesluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

2.

Dit uitvoeringsbesluit kan worden aangehaald als Uitvoeringsbesluit Boetes Participatiewet Maastricht-Heuvelland 2017 e.v.

Aldus besloten door:

burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten in de collegevergadering van x maart 2017
de secretaris,
M.F.M.E. Severeijns
de burgemeester,
D.A.M. Akkermans
burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem in de collegevergadering van x maart 2017
de secretaris,
J.G.A. Kusters
de burgemeester,
J. G. M. T. Ubachs (waarnemend),
burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht in de collegevergadering van 21 maart 2017
de secretaris,
P.J. Buijtels
de burgemeester,
J.M. Penn-te Strake
burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen in de collegevergadering van x maart 2017
de secretaris,
mr. J.J.M. Eurlings
de burgemeester,
M.A.H. Clermonts-Aretz
burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals in de collegevergadering van x maart 2017
de secretaris,
mr. drs. J.H.M.J. Bertram
de burgemeester,
drs. R.L.T. van Loo
burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul in de collegevergadering van x maart 2017
de secretaris,
L.T.J.M. Bongarts
de burgemeester,
J. Schrijen(waarnemend)

TOELICHTING

Algemene toelichting

Net als onder de Wet werk en bijstand c.a. geldt ook onder de Participatiewet dat bij schending van de inlichtingenplicht in de regel een boete moet worden opgelegd.

Een tweetal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) hebben ertoe geleid dat het strikte boeteregime van de Fraudewet aanzienlijk is gematigd. In de gewijzigde Fraudewet en het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt op die ontwikkeling ingespeeld. Zo moet bij het bepalen van de hoogte van de boete rekening worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid (opzet, grove schuld, normale of verminderde verwijtbaarheid) en mag de boete nooit hoger zijn dan de in het Wetboek van Strafrecht vermelde maximale bedragen. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor het geven van een waarschuwing verruimd. Ook bij kleine boetes (niet hoger dan € 150) kan een waarschuwing worden gegeven. In dit uitvoeringsbesluit wordt hieromtrent een aantal beleidsregels vastgelegd.

Verder volgt specifiek uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2016 dat de boete ook moet worden afgestemd op de financiële draagkracht van belanghebbende ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Het college kan rondom het bepalen van die draagkracht nog nader beleid formuleren. In dit uitvoeringsbesluit wordt daar invulling aan gegeven.

Overigens blijft gelden dat wanneer de gedraging de belanghebbende in het geheel niet is aan te rekenen, dat dan géén boete kan worden opgelegd (art. 5:41 Algemene wet bestuursrecht).

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 Waarschuwing bij geen benadelingsbedrag, bij een benadelingsbedrag < € 150 of bij zelfmelding

Lid 1.

In lid 1 wordt duidelijk gemaakt dat het college in de in dit lid geschetste situaties consequent gebruik maakt van de wettelijke bevoegdheid af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete en te volstaan met een waarschuwing. De situatie waarin sprake is van recidive binnen twee jaar vormt daarop een uitzondering.

In geval een overtreding van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag en niet volstaan wordt met het geven van een schriftelijk waarschuwing, geeft het Boetebesluit socialezekerheidswetten als uitgangspunt dat een boete wordt vastgesteld van € 150. Dit uitgangspunt wordt echter niet gevolgd. Een boete van € 150 wordt geacht niet evenredig te zijn wanneer geen benadelingsbedrag speelt. De boete bedraagt dan maximaal € 100. En afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid kan deze worden verlaagd tot minimaal € 25. Deze forfaitaire boete van € 100 of minder geldt overigens ook wanneer het benadelingsbedrag € 100 of lager is. Wederom afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid.

Wanneer sprake is van een benadelingsbedrag hoger dan € 100, maar niet hoger dan € 150, dan volgt een boete gelijk aan het benadelingsbedrag. Afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid, kan de boete uiteraard weer naar beneden worden bijgesteld.

Artikel 4 Afstemming boete op inkomen

Overeenkomstig de uitspraak van de CRvB van 11 januari 2016 wordt voor het afstemmen van de hoogte van de boete op het inkomen van belanghebbende uitgegaan van een zogenoemde fictieve draagkracht. De vaststelling van de hoogte van de boete moet worden onderscheiden van het feitelijke invorderen van de boete. Ten aanzien van die invordering gelden de regels omtrent de beslagvrije voet. Het wordt geacht niet evenredig te zijn wanneer de hoogte van de boete volledig zou worden bepaald aan de hand van de daadwerkelijke aflossingscapaciteit in plaats van aan de hand van de verwijtbaarheid.

Bij recidive geldt dezelfde bepaling van de draaglsracht. Het is immers onjuist om te redeneren dat die draagkracht groter wordt wanneer sprake is van recidive. Recidive heeft immers ook geen invloed op de maximale boetebedragen.

Artikel 5 Vermogen

Voor het bepalen van de fictieve draagkracht als bedoeld in artikel 4 wordt het vermogen van belanghebbende buiten beschouwing gelaten. Vermogen blijft natuurlijk wel volop een rol spelen bij het invorderen van de boete.