Officiele publicatie

Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Meerssen 2015

DE RAAD VAN DE GEMEENTE MEERSSEN;

Gelezen het voorstel van het college van 2 juni 2015, strekkende tot vaststelling van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Meerssen 2015;

gelet op de bepalingen van de Gemeentewet;

BESLUIT:

vast te stellen de navolgende Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Meerssen 2015:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt, tenzij in enig artikel anders is bepaald, verstaan dan wel mede verstaan onder:

A. Bebouwde kom:

het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.

B. Bouwwerk:

hetgeen in artikel 1 van de vigerende gemeentelijke Bouwverordening daaronder wordt verstaan.

C. Bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

D. College:

het college van burgemeester en wethouders.

E. Gebouw:

hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan.

F. Handelsreclame:

iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

G. Openbare plaats:

hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan.

H. Openbaar water:

alle wateren die – al dan niet met enige beperking – voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.

I. Parkeren:

parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990)

J. Rechthebbende:

een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.

K. Vaartuigen:

alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.

L. Vee:

dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage A van de Meststoffenwet.

M. Voertuigen:

voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.

N. Weg:
  • 1.
    de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
  • 2.
    de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
  • 3.
    de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;
  • 4.
    andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
O. Woonschepen:

schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.

Artikel 1.2. Beslistermijn

(Vervallen)

Artikel 1.3. (Te late) indiening aanvraag

1.

Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

2.

Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd rekening houdend met de te volgen procedure.

Artikel 1.4. Voorschriften en beperkingen

1.

Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2.

Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1.5. Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1.6. Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.
    indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;
  • b.
    indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
  • c.
    indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
  • d.
    indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;
  • e.
    indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.

Artikel 1.7. Termijnen

(vervallen)

Artikel 1.8. Weigeringsgronden

(vervallen)

Hoofdstuk 2. Openbare orde

Afdeling 1. Orde en veiligheid op de weg

Paragraaf 1. Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2.1.1.1. Samenscholing en ongeregeldheden

1.

Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

2.

Degene die op een openbare plaats

  • aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
  • aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
  • zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

3.

Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

5.

Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Paragraaf 2. Optochten en betogingen

Artikel 2.1.2.1. Optochten

(vervallen)

Artikel 2.1.2.2. Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de Burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.2.4 van deze verordening, eerste lid hierover is bepaald.

Artikel 2.1.2.3. Afwijking termijn

De Burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.2 van deze verordening, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving ontvankelijk verklaren.

Artikel 2.1.2.4. Te verstrekken gegevens

1.

Bij de kennisgeving kan de Burgemeester een opgave verlangen van:

  • a.
    naam en adres van degene die de betoging houdt;
  • b.
    het doel van de betoging;
  • c.
    de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
  • d.
    de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
  • e.
    voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
  • f.
    maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
2.

Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

Paragraaf 3. Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2.1.3.1. Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

1.

Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.

2.

Het college kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot in de openbare kennisgeving aan te duiden dagen en uren.

3.

Het in het eerste lid van dit artikel bepaalde geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

4.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod.

Paragraaf 4. Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2.1.4.1. Feest, muziek en wedstrijd e.d.

(vervallen)

Artikel 2.1.4.2. Dienstverlening

(vervallen)

Artikel 2.1.4.3. Straatartiest

(vervallen)

Paragraaf 5. Bruikbaarheid van de weg

Artikel 2.1.5.1. Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg

1.

Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

2.

Het verbod geldt niet voor zover voldaan wordt aan de door het college nader te stellen algemene regels.

(zie uitvoeringsbesluit in bijlagen).

Artikel 2.1.5.2. Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

(vervallen)

Artikel 2.1.5.3. Maken en veranderen van een uitweg

1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2.

de vergunning kan slechts worden geweigerd:

  • a.
    ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
  • b.
    indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
  • c.
    indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
  • d.
    indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
3.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of Wegenverordening Limburg.

Paragraaf 6. Veiligheid van de weg

Artikel 2.1.6.1. Veroorzaken van gladheid

(vervallen)

Artikel 2.1.6.2. Winkelwagentjes

(vervallen).

Artikel 2.1.6.3. Hinderlijke beplanting of voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Artikel 2.1.6.4. Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2.1.6.5. Kelderingangen, koekoeken e.d.

1.

Kelderingangen, koekoeken, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

2.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.1.6.6. Rookverbod in bossen en natuurgebieden

1.

Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

  • a.
    te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
  • b.
    voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2.

De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

3.

De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2.1.6.7. Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

1.

Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

2.

Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod geldt niet t.a.v. prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

4.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.1.6.7a. Gevaarlijke voorwerpen

1.

Het is verboden op door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wegen en de daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.

2.

Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor wapens behorende tot de ‘categorieën I, II en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van voorwerpen bedoeld in het eerste lid, de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.’

Artikel 2.1.6.8. Vallende voorwerpen

Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.

Artikel 2.1.6.9. Voorzieningen voor verkeer en verlichting

1.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2.1.6.10. Objecten onder hoogspanningslijn

(vervallen)

Artikel 2.1.6.11. Veiligheid op het ijs

1.

Het is verboden:

  • a.
    voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
  • b.
    bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a van dit lid bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
2.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Wegenverordening Limburg.

Afdeling 2. Toezicht op evenementen

Artikel 2.2.1. Begripsomschrijving

1.

In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

  • a.
    bioscoopvoorstellingen als bedoeld in de Mediawet;
  • b.
    markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening;
  • c.
    kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
  • d.
    het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
  • e.
    betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
  • f.
    activiteiten als bedoeld in de artikelen, 2.1.4.2, 2.1.4.3 en 2.3.3.1 van deze verordening;
  • g.
    muziek- en zanggezelschappen die in de gemeente Meerssen zijn gevestigd en bij het gemeentebestuur van Meerssen zijn geregistreerd, voor zover zij op of aan de weg op enige wijze voor publiek muziek ten gehore brengen. In dat geval moet daarvan ten minste 48 uur voordat dit gehouden wordt, kennisgeving worden gedaan aan de burgemeester.
2.

Onder evenement wordt mede verstaan:

  • a.
    herdenkingsplechtigheid;
  • b.
    een braderie;
  • c.
    een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2 op de weg;
  • d.
    een feest of wedstrijd op of aan de weg.

Artikel 2.2.2. Evenement

1.

Het is verboden zonder of in afwijking van de vergunning van de Burgemeester een evenement te organiseren.

2.

De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

  • a.
    de openbare orde;
  • b.
    het voorkomen of beperken van overlast;
  • c.
    de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;
  • d.
    de zedelijkheid of gezondheid.
3.

Het college kan vrijstelling van de vergunningplicht verlenen voor door het college aan te wijzen categorieën evenementen.’.

[zie bijlage uitvoeringsvoorschriften].

4.

De burgemeester kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding als aan de orde krachtens lid 3, besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

3

Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het tweede lid, onder d, van artikel 2.2.1 voorziene gevallen, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994

Artikel 2.2.3. Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 3. Toezicht op openbare inrichtingen

Paragraaf 1. Toezicht op horecabedrijven

Artikel 2.3.1.1. Begripsomschrijvingen

1.

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.
    openbare inrichting:
    • een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;
    • elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid;
  • b.
    terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
2.

Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

Artikel 2.3.1.2. Exploitatie horecabedrijf

(vervallen)

Artikel 2.3.1.3. Opheffing vergunningplicht

(vervallen)

Artikel 2.3.1.4. Sluitingsuur

1.

Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 06.00 uur.

2.

Het in het eerste lid van dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

3.

Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod geldt:

  • op nieuwjaarsdag van 03.00 uur tot 06.00 uur;
  • op carnavalsmaandag en dinsdag van 03.00 uur tot 06.00 uur.

Artikel 2.3.1.5. Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting

1.

De Burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.4 van deze verordening geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

2.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13 b Opiumwet.

Artikel 2.3.1.6. Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 van deze verordening of ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.5 van deze verordening genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

Artikel 2.3.1.7. Ordeverstoring

(vervallen)

Artikel 2.3.1.8. Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 van deze verordening geen inrichting is in de zin van artikel 174 Gemeentewet treedt niet de Burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5 van deze verordening.

Artikel 2.3.1.9. Maskeerverbod in inrichting

(vervallen)

Paragraaf 2. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2.3.2.1. Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

1. inrichting:

elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;

2. houder:

degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.

Artikel 2.3.2.2. Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de Burgemeester.

Artikel 2.3.2.3. Nachtregister

(vervallen)

Artikel 2.3.2.4. Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.

Paragraaf 3. Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2.3.3.1. Speelgelegenheden

1.

Deze paragraaf verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

2.

Het is verboden zonder vergunning van de Burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:

  • a.
    speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend;
  • b.
    speelgelegenheden waarvoor de desbetreffende minister of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;
  • c.
    speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
3.

De Burgemeester weigert de vergunning:

  • a.
    indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;
  • b.
    indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

Artikel 2.3.3.2. Opstelplaatsenbeleid

1.

Begripsomschrijvingen

In dit artikel wordt verstaan onder:

  • a.
    Wet: de Wet op de kansspelen;
  • b.
    Speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet;
  • c.
    Kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;
  • d.
    Hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;
  • e.
    Laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
2.

Opstelplaatsenbeleid:

  • a.
    in hoogdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten toegestaan waarvan maximaal twee kansspelautomaten;
  • b.
    in laagdrempelige inrichtingen zijn 2 speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Afdeling 4. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2.4.1. Betreden gesloten woning of lokaal

1.

Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden, of zich daarin of daarop te bevinden.

2.

Het is verboden een krachtens artikel 13 b Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

3.

Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is.

4.

De Burgemeester is bevoegd van het in het eerste en/of tweede lid van dit artikel bedoelde verboden ontheffingen te verlenen.

Artikel 2.4.2. Plakken en kladden

1.

Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2.

Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:

  • a.
    een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
  • b.
    met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
  • c.
    Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden als degenen die bekladden of doen bekladden, dan wel aanplakken of doen aanplakken, aanbrengen of doen aanbrengen aangemerkt degene(n) voor wiens goederen, diensten of activiteiten op een reclamemiddel of een voorwerp reclame wordt gemaakt.
3.

Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4.

Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

5.

Het is verboden de in het vierde lid van dit artikel bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

6.

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

7.

De houder van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2.4.3. Vervoer plakgereedschap e.d.

1.

Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

2.

Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2.4.4. Vervoer inbrekerswerktuigen

1.

Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

2.

Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

3.

Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.

4.

Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2.4.5. Betreden van plantsoenen e.d.

(vervallen)

Artikel 2.4.6. Rijden over bermen e.d.

(vervallen)

Artikel 2.4.7. Hinderlijk gedrag op of aan de weg

1.

Het is verboden:

  • a.
    op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekomheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
  • b.
    zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt.
2.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.4.7a. Verplichte route.

1.

Het is door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken.

2.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld verbod.

Artikel 2.4.8. Verboden drankgebruik

1.

Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

2.

Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor:

  • a.
    een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, van deze verordening;
  • b.
    de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a van dit lid, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2.4.9. Verboden gedrag bij of in gebouwen

1.

Het is verboden:

  • a.
    zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
  • b.
    zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.

Artikel 2.4.10. Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2.4.11. Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien:

  • a.
    dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;
  • b.
    daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2.4.12. Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein e.d.

(vervallen)

Artikel 2.4.13. Bespieden van personen

(vervallen)

Artikel 2.4.14. Bewakingsapparatuur

(vervallen)

Artikel 2.4.15. Nodeloos alarmeren

(vervallen)

Artikel 2.4.16 Alarminstallaties

(vervallen)

Artikel 2.4.17. Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

1.

Het is de eigenaar of houder of hij die een hond onder zijn hoede heeft verboden, die hond te laten verblijven of te laten lopen:

  • a.
    binnen de vastgestelde bebouwde kom op de weg1Het begrip 'weg' is gedefinieerd in artikel 1.1. van de APV en de bebouwde kom is vastgesteld door de gemeenteraad in juni 2006. en buiten de bebouwde kom binnen door het college van burgemeester en wethouders aangewezen natuurgebieden, zonder dat die hond aangelijnd is;
    [zie bijlage uitvoeringsvoorschriften].
  • b.
    op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelveld of speelweide of op een andere door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats;
    [zie bijlage uitvoeringsvoorschriften].
  • c.
    op de weg zonder voorzien te zijn van een microchip die met een chipreader afleesbaar is dan wel van een halsband met daarop duidelijk vermeld de naam, het adres en de woonplaats van de eigenaar of houder; op de bij de halsband behorende riem dient eveneens de naam, het adres en de woonplaats van de eigenaar of houder te zijn vermeld.
2.

Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod, genoemd in het eerste lid onder a, niet geldt.

3.

De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden

4.

Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 2.4.18. Verontreiniging door honden

1.

Het is de eigenaar of houder of hij die een hond onder zijn hoede heeft verboden, die hond op de openbare weg, op een voor het publiek toegankelijke plaats of op een andere door het college aangewezen plaats zich te laten ontdoen van uitwerpselen.

2.

Het in het eerste lid van dit artikel genoemde verbod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder of hij die de hond onder zijn hoede heeft de uitwerpselen onmiddellijk verwijdert en in de daarvoor bestemde afvalbakken stopt of mee naar huis neemt.

Artikel 2.4.19. Gevaarlijke honden

1.

Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

2.

Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

3.

Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen die door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en die zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

Artikel 2.4.20. Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

1.

Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

  • a.
    aanwezig te hebben;
  • b.
    aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
  • c.
    aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.
2.

Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.4.21. Wilde dieren

(vervallen)

Artikel 2.4.22. Loslopend vee

(vervallen)

Artikel 2.4.23. Duiven

(vervallen)

Artikel 2.4.24. Bijen

(vervallen)

Artikel 2.4.25. Bedelarij

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2.4.26. Handhaving bij diverse vormen van overlast

1.

In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen en goederen, de verkeersvrijheid, of veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan het college een gebied aanwijzen waarvoor door politieambtenaren aan een persoon, die zich bevindt op de weg of plaats binnen dit gebied, gedurende de uren daarbij genoemd, het bevel kan worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

2.

Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan:

  • a.
    de burgemeester aan de persoon aan wie tenminste een maal een bevel is gegeven als bedoeld in het eerste lid, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de tijden daarin genoemd;
  • b.
    de burgemeester aan de persoon aan wie eerder een verbod als bedoeld onder a is opgelegd een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste zes maanden, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de weg of plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied als bedoeld in het eerste lid, gedurende de uren daarin genoemd.;
3.

De burgemeester beperkt het in het tweede lid, onder a en b genoemde verbod of de daarin genoemde termijnen indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

4.

Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het tweede lid, onder a en b.

Artikel 2.4.26. Maskeerverbod op de openbare weg

(Vervallen)

Artikel 2.4.27. (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen

(Vervallen)

Afdeling 5. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2.5.1. Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

1. Handelaar:

de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

2. Verkoopregister:

het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

Artikel 2.5.2. Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

1.

De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de Burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

  • a.
    het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
  • b.
    de datum van verkoop of overdracht van het goed;
  • c.
    een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed;
  • d.
    de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
  • e.
    de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2.

De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichting.

Artikel 2.5.3. Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a.
    de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
    • 1.
      dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
    • 2.
      van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;
    • 3.
      dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
    • 4.
      dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
  • b.
    de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
  • c.
    aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
  • d.
    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2.5.4. Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Artikel 2.5.5. Handel in horecabedrijf

(vervallen)

Afdeling 6. Vuurwerk

Artikel 2.6.1. Begripsomschrijving

(vervallen)

Artikel 2.6.2. Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

Artikel 2.6.3. Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

1.

Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

2.

Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

3.

De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 7. Drugsoverlast

Artikel 2.7.1. Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg met de daaraan gelegen portieken, galerijen arcaden of nissen, post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2.7.2. Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.

Afdeling 8. Bestuurlijke ophouding

Artikel 2.8.1. Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen, 2.1.1.1, 2.1.5.1, 2.1.6.4, 2.1.6.7, 2.1.6.7a, 2.1.6.9, 2.4.7, 2.4.7a, 2.4.8, 2.4.9, 2.4.10, of 5.5.1 van deze verordening niet nakomen.

Afdeling 9. Veiligheidsrisicogebied

Artikel 2.9.1. Veiligheidsrisicogebied

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en de daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Afdeling 10. Cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2.10.1. Cameratoezicht op openbare plaatsen

1.

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

2.

De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor iedereen toegankelijke plaatsen.

Afdeling 11. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet

Artikel 2.11.1. Begripsbepaling

  • a.
    Para commercieel rechtspersoon
    Een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die in het kader van activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard een horecabedrijf in eigen beheer exploiteert.
  • b.
    Drank- en Horecawet
    Drank- en Horecawet, zoals gewijzigd op 1 juli 2012, met het oog op de terugdringing van het alcoholgebruik onder met name jongeren, de voorkoming van alcohol gerelateerde verstoring van de openbare orde, alsmede ter reductie van de administratieve lasten.
  • c.
    Horecabedrijf
    De activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.
  • d.
    Vergunning
    De vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet.
  • e.
    Sterk alcoholhoudende drank
    Drank die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor vijftien of meer volumeprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering van wijn (artikel 1 Drank- en Horecawet).
  • f.
    Zwak alcoholhoudende drank
    Drank die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor meer dan een half volumeprocent tot een maximum van vijftien volumeprocenten, uit alcohol bestaat, inclusief wijn.
  • g.
    Activiteiten waarvoor ontheffing moet worden aangevraagd
    Activiteiten die onlosmakelijk zijn verbonden met de statutaire doelstelling, maar niet zijn genoemd in de statuten van de para commerciële rechtspersoon.
  • h.
    Bijeenkomsten van persoonlijke aard
    Bijeenkomsten met een veelal feestelijk karakter, waarbij alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die geen direct verband houden met de doelstelling van de para commerciële rechtspersonen, zoals bruiloften, feesten, partijen, recepties, jubilea, verjaardagen, bedrijfsfeesten, koffietafels, condoleancebijeenkomsten en dergelijke.
    Voor zover niet anders is bepaald, is artikel 1 van de Drank- en Horecawet van overeenkomstige toepassing op de niet op die wet steunende bepalingen van deze verordening.
  • i.
    Feestdagen
    Feestdagen: Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, tweede Paasdag, Koningsdag, Bevrijdingsdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste Kerstdag, tweede Kerstdag.

Artikel 2.11.2. Openingstijden van kantines van sportverenigingen

  • a.
    voor kantines van sportverenigingen gelden de volgende openingstijden:
    1 uur voor aanvang van de eerste activiteit, maar altijd vanaf 11.00 uur tot 24.00 uur
  • b.
    voor kantines van hengelsportverenigingen gelden de volgende openingstijden:
    elke dag van de week m.u.v. de vrijdag vanaf 10.00 uur, maar niet later dan 21.00 uur.
    de openingstijden voor de vrijdag vanaf 10.00 uur tot 23.00 uur.

Artikel 2.11.3. Schenktijden en schenkregels kantines

  • a.
    Kantines van sportverenigingen verstrekken alcoholhoudende drank uitsluitend op de volgende tijdstippen:
    Maandag tot en met vrijdag van 13.00 uur tot 24.00 uur
    Zaterdag en Zondag van 11.00 uur tot 24.00 uur.
  • b.
    Voor de hengelsportverenigingen geldt op alle dagen een schenktijd van 10.00 uur tot 21.00 uur, met uitzondering van de vrijdag, dan is de eindtijd voor het schenken bepaald op 23.00 uur.
  • c.
    Op erkende feestdagen (Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, tweede Paasdag, Koningsdag, Bevrijdingsdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste Kerstdag, tweede Kerstdag) gelden de schenktijden, zoals vastgesteld voor de zaterdag en zondag.
  • d.
    Het is verboden sterk alcoholhoudende drank te verstrekken.

Artikel 2.11.4 Feestdagen

Op feestdagen gelden de openingstijden en schenktijden zoals deze zijn vastgesteld voor de zondag.

Artikel 2.11.5. Bijeenkomsten bij kantines van sportverenigingen, niet behorende bij de uitoefening van de hoofdfunctie

  • a.
    Gelet op de bijzondere doelstelling van een sportvereniging zal geen ontheffing als bedoeld in artikel 4, lid 4, van de Drank- en Horecawet worden verleend, met uitzondering van de in lid b genoemde activiteiten.
  • b.
    Voor de in artikel 2.11.1.g genoemde activiteiten geldt een maximum van 12 per kalenderjaar.
  • c.
    Bijeenkomsten zoals genoemd in artikel 2.11.1.h zijn niet toegestaan.

Artikel 2.11.6. Procedure ter verkrijging van een ontheffing

1.

De rechtspersoon die één van de onder artikel 2.11.1g genoemde activiteiten wil organiseren, dient hiervoor een aanvraag in bij het college van Burgemeester en wethouders van Meerssen.

2.

Deze aanvraag dient – behoudens bij een (periode)kampioenschap – tenminste vier weken voorafgaand aan de datum van de te organiseren activiteit te worden ingediend.

3.

De ontheffing houdt in ieder geval de verbindende voorwaarden in aangaande:

  • a.
    openingstijd van de sportkantine rekening houdend met de aanvang van de activiteit;
  • b.
    sluitingstijd rekening houdende met de dag van de week waarop de activiteit plaatsvindt en de aard van de activiteit.

Artikel 2.11.7. Vervallen bepalingen

Met het van kracht worden van deze afdeling vervallen alle tot dat moment geldende (bepalingen in) nota’s, beleidsregels, verleende vergunningen en verordeningen, die enige regels omtrent paracommercie bevatten.

Afdeling 12 Gebiedsontzegging

Artikel 12.1

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

Artikel 12.2

Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht], een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

Artikel 12.3

Een bevel o.g.v. het tweede lid kan slechts worden gegeven als de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven o.g.v. het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

Artikel 12.4

De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sexwinkels, straatprostitutie e.d.

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1. Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

b. prostitué(e):

degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

c. seksinrichting:

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch – pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een(raam)prostitutiebedrijf – waaronder begrepen een erotische – massagesalon –, een seksbioscoop, seksautomatenhal, theater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

d. escortbedrijf:

een bedrijf gevoerd door een natuurlijke persoon, groep van natuurlijke personen of rechtspersoon dat bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

e. sekswinkel:

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch - pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht dan wel verhuurd;

f. exploitant:

de natuurlijke persoon of personen, of indien de aanvraag is gedaan door een rechtspersoon, de in het aanvraagformulier aangewezen tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon of personen, die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert;

g. beheerder:

de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf;

h. bezoeker:

degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

  • 1.
    de exploitant;
  • 2.
    de beheerder;
  • 3.
    de prostitué(e);
  • 4.
    het personeel dat in de inrichting werkzaam is;
  • 5.
    toezichthouders als bedoeld in artikel 6.2;
  • 6.
    andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 3.1.2. Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 3.1.3. Nadere regels

Het college kan ter bescherming van de in artikel 3.3.2 van deze verordening genoemde belangen nadere regels vaststellen.

Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke

Artikel 3.2.1. Vergunningsplicht inrichtingen

1.

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een seksinrichting te exploiteren of te wijzigen in door het college aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

2.

Het is verboden een seksinrichting te exploiteren in andere gebieden of delen van de gemeente dan in het eerste lid bedoeld.

3.

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen.

4.

In de aanvraag om een vergunning wordt in ieder geval vermeld:

  • de persoonsgegevens van de exploitant;
  • de persoonsgegevens van de beheerder;
  • de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;
  • de locatie van de seksinrichting of het escortbedrijf.

Artikel 3.2.2. Gedragseisen exploitant en beheerder

1.

De exploitant en de beheerder:

  • a.
    staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;
  • b.
    zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
  • c.
    en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.
2.

Naast de gestelde eisen in het eerste lid van dit artikel, zijn de exploitant en de beheerder niet:

  • a.
    met toepassing van het artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;
  • b.
    binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;
  • c.
    binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
    • bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;
    • de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273 f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
    • de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jº artikel 8 of jº artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
    • de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;
    • de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
    • de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
3.

Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid van dit artikel wordt gelijk gesteld:

  • a.
    vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;
  • b.
    een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.
4.

De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid van dit artikel, wordt:

  • a.
    bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;
  • b.
    bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
5.

De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1. van deze verordening is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 3.2.3. Sluitingsuur

1.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur;

2.

In afwijking van het eerste lid van dit artikel kan het bevoegd bestuursorgaan door middel van een vergunningsvoorschrift als bedoeld in artikel 1.4 van deze verordening voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingsuren vaststellen.

3.

Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid of tweede lid van dit artikel, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid, van deze verordening, gesloten dient te zijn.

4.

Het in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3.2.4. Afwijking sluitingsuur; sluiting

1.

Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:

  • a.
    tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;
  • b.
    van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid van dit artikel bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3.2.4a. Intrekking van de vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van deze verordening kan het bevoegde bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid van deze verordening genoemde belangen of in geval van handelen of nalaten in strijd met de bepalingen in dit hoofdstuk, de aan de vergunning verbonden voorschriften, of de nadere regels als bedoeld in artikel 3.1.3 van deze verordening, de vergunning intrekken.

Artikel 3.2.5. Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

1.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 van deze verordening op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

2.

De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de inrichting:

  • a.
    geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie;
  • b.
    geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3.2.6. Straatprostitutie

Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken:

  • a.
    op of aan andere dan door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wegen of gebieden;
  • b.
    gedurende andere dan door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde tijden.

Artikel 3.2.7. Sekswinkels

(vervallen)

Artikel 3.2.8. Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch - pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

1.

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch - pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen.

2.

Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.

Afdeling 3. Beslissingstermijn; weigeringsgronden; nadere regels

Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn

(vervallen)

Artikel 3.3.2. Weigeringsgronden

1.

De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid van deze verordening, wordt geweigerd indien:

  • a.
    de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 van deze verordening gestelde eisen;
  • b.
    de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;
  • c.
    er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
2.

De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid van deze verordening, dan wel de aanwijzing of vaststelling als bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid van deze verordening, kan worden geweigerd:

  • a.
    in het belang van de openbare orde;
  • b.
    in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
  • c.
    in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van de woon- en leefklimaat;
  • d.
    in het belang van de veiligheid van personen of goederen;
  • e.
    in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;
  • f.
    in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;
  • g.
    in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostitué(e).
3.

Het bevoegde bestuursorgaan verleent maximaal één vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, en wel voor een seksinrichting gelegen buiten de bebouwde kommen.

Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer; vergunning

Artikel 3.4.1. Beëindiging exploitatie

Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3.4.2. Wijziging beheer

1.

Indien de beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

2.

Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a van deze verordening, is van overeenkomstige toepassing.

3.

In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Geluid- en lichthinder

Artikel 4.1.1. Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

1. Besluit:

het Besluit algemene regels van inrichtingen milieubeleid

2. Inrichting:

een inrichting als bedoeld in het Besluit;

3. Houder van een inrichting:

degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

4. Collectieve festiviteit:

festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

5. Incidentele festiviteit:

festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.

Artikel 4.1.2. Aanwijzing collectieve festiviteiten

1.

De voorschriften 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Buiten de door het college nog aan te wijzen dagen worden onder deze collectieve festiviteiten verstaan: Oude Jaaravond, de zaterdag direct voorafgaande aan de carnaval alsmede de drie carnavalsdagen en de zaterdag en zondag voor de plaatselijke kermisdagen in de diverse kernen.

2.

Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid van dit artikel aanwijzen.

Artikel 4.1.3. Kennisgeving incidentele festiviteiten

(Vervallen)

Artikel 4.1.4. Verboden incidentele festiviteiten

(Vervallen)

Artikel 4.1.4.a. Bepalingen ter voorkoming van overmatige hinder bij festiviteiten

Het is verboden een incidentele of een collectieve festiviteit te organiseren, toe te laten dan wel feitelijk te leiden indien de houder van de inrichting verzuimt de hierna volgende bepalingen na te leven:

  • 1.
    een half uur voor sluitingstijd van de inrichting, als bedoeld in artikel 2.3.1.4, lid 1 tot en met 4 van deze verordening dient te worden voldaan aan de voor de desbetreffende inrichting gebruikelijk geldende normstelling.
  • 2.
    ten tijde van een incidentele dan wel collectieve festiviteit mag het zendniveau in de inrichting niet meer dan 105 dB(A) Laeq bedragen.
  • 3.
    de aanwijzing van een collectieve festiviteit, als bedoeld in artikel 4.1.2 van deze verordening, is niet van toepassing op een terras en/of buitenterrein, behorende bij een inrichting.
  • 4.
    In afwijking van lid 5 van dit artikel is het een sport- en/of recreatie-inrichting, naar beoordeling van het college, toegestaan incidentele festiviteiten te houden op een tot de inrichting behorend buitenterrein, niet zijnde een terras.
  • 5.
    Aan de incidentele festiviteit als bedoeld in het zesde lid van dit artikel, kan door het college nadere voorschriften worden verbonden

Artikel 4.1.5. Overige geluidhinder

1.

het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer toestellen of (geluids)apparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt.

2.

Het college kan van het in het eerste lid van dit artikel bepaalde ontheffing verlenen.

3.

Het verbod geldt niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 2.4.16 van deze verordening, de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het wetboek van Strafrecht, de Wet luchtvaart, het reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het Vuurwerkbesluit.

Artikel 4.1.5.a. (Geluid)hinder door dieren

Degene die de zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat dit dier voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.

Artikel 4.1.5.b. (Geluid)hinder door bromfietsen e.d.

(vervallen)

Artikel 4.1.5.c. (Geluid) hinder door vrachtauto’s

(vervallen)

Artikel 4.1.5.d. Routering

(Vervallen)

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4.2.1. Straatvegen

(vervallen)

Artikel 4.2.2. Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.

Artikel 4.2.3. Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4.2.4. Bestrijding ongedierte

1.

De rechthebbende op een onroerende zaak is verplicht, de door het college voorgeschreven maatregelen ter voorkoming van schade door ratten, muizen of ander ongedierte aan eigendommen of de openbare gezondheid te treffen dan wel van gemeentewege te gedogen.

2.

Het is verboden de in het eerste lid van dit artikel bedoelde maatregelen ongedaan te maken, te wijzigen, dan wel de werking ervan op enigerlei wijze te beletten dan wel te belemmeren.

Artikel 4.2.5. Verwijderen onkruid en/of afval

(vervallen)

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4.3.1. Begripsomschrijvingen

1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. boom:

een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 49 cm op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.

b. houtopstand:

één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint-)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen;

c. hakhout:

één of meer bomen (of boomvormers) die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

d. knotten/kandelaberen:

het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

e. bebouwde kom:

de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;

f. boomwaarde c.q. taxatiewaarde:

de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen. Het college kan bij de toepassing van de boomwaarde tevens naar redelijkheid en billijkheid besluiten.

2.

In deze verordening wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadigingen of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4.3.2. Kapverbod

1.

Het is verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

2.

Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod geldt niet indien het betreft:

  • a.
    populieren en wilgen als wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot;
  • b.
    vruchtbomen voor zover het betreft fruitbomen, en windschermen om boomgaarden;
  • c.
    dunning d.m.v. het vellen van bomen ter bevordering van het voortbestaan van de overblijvende houtopstand;
  • d.
    kweekgoed;
  • e.
    houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen een bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, niet meer bomen omvat dan 20.
  • f.
    houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving op last van het college.
  • g.
    het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;
  • h.
    het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten.

Artikel 4.3.3. Aanvraag Vergunning

1.

De vergunning moet schriftelijk gemotiveerd en onder bijvoeging van een situatieschets worden aangevraagd. Het college kan eisen dat bij de aanvraag voor een kapvergunning een onderzoeksrapport naar de algehele onderhoudstoestand van de te kappen boom wordt overgelegd. Het onderzoeksrapport moet opgesteld zijn door een beëdigd boomtaxateur.

2.

De aanvraag kan worden gedaan door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht, of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

3.

Wanneer door of namens het bevoegde Ministerie aan het college een afschrift is toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het college dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.

4.

De houder van de vergunning moet zorg dragen, dat deze vergunning ten tijde van het uitvoeren van de kapwerkzaamheden aanwezig is op het betreffende terrein waarop de houtopstand zich bevindt. De vergunning moet op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van een of meer bepalingen van deze verordening, ter inzage worden gegeven aan deze ambtenaar.

Artikel 4.3.3.a. Weigeringsgronden

1.

Het college kan de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

  • natuur- en milieuwaarden;
  • landschappelijke waarden;
  • cultuurhistorische waarden;
  • waarden van stads- en dorpsschoon;
  • beeldbepalende waarden;
  • monumentale waarden;
  • waarden voor recreatie en leefbaarheid.
2.

Het college kan bij het weigeren, of onder voorschriften verlenen van een vergunning, tevens de boomwaarde als motivering hanteren.

Het college verwijst bij weigering van een vergunning zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.

3.

De Burgemeester of de daartoe bevoegde ambtenaar, kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang.

Artikel 4.3.4. Vergunning ex lege

(vervallen)

Artikel 4.3.5. Bijzondere vergunningsvoorschriften

1.

Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en in overeenstemming met de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant.

Indien het gemeentelijk beleid of een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen-, of landschapsplan de te vellen houtopstand direct of indirect als waardevol omschrijft, wordt zo vaak mogelijk een herplantplicht opgelegd.

2.

Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid van dit artikel gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

3.

Een vergunning kan worden verleend onder de voorwaarde van feitelijk niet-gebruik, tot het moment van onherroepelijk worden van de vergunning, oftewel tot het moment dat:

  • a.
    de beroepstermijn voor derden is verstreken zonder dat er beroep is ingediend;
  • b.
    beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;
  • c.
    beslist is op het beroep van derden en geen verzoek tot voorlopige voorziening is gedaan.
4.

Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

Artikel 4.3.6. Herplant-/instandhoudingsplicht

1.

Indien houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijke gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

2.

Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid van dit artikel opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplanting en op welke wijze niet- geslaagde beplanting moet worden vervangen.

3.

Indien houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijke gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor de bedreiging wordt weggenomen.

4.

Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met derde lid van dit artikel is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4.3.7. Schadevergoeding

(vervallen)

Artikel 4.3.8. Bestrijding van iepziekte

1.

Dit artikel verstaat onder:

  • a.
    iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi(Buism.) C. Moreau);
  • b.
    iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.
2.

Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

  • a.
    indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
  • b.
    de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;
  • c.
    de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen;
3.

Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.

4.

Het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.

5.

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder lid 3 gestelde verbod.

Artikel 4.3.9. Verhouding tussen kap- en bouw- of aanlegvergunning

(vervallen)

Artikel 4.3.10. Bescherming bomen

(vervallen)

Artikel 4.3.11. Standaardvoorwaarde van niet-gebruik

(Vervallen)

Artikel 4.3.12. Vervaltermijn vergunning

(Vervallen)

Artikel 4.3.13. Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters indien het bomen, heggen en heesters betreft op of aan de openbare weg of een openbaar water, grenzende aan een anders erf.

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4.4.1. Opslag voertuigen, caravans afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d.

(vervallen)

Artikel 4.4.1a. Stankoverlast door gebruik van meststoffen.

(vervallen)

Artikel 4.4.2. Vergunningsplicht handelsreclame

(vervallen)

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen

Artikel 5.1.1. Begripsomschrijvingen

(vervallen)

Artikel 5.1.2. Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

1.

Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

  • a.
    drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel
  • b.
    de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
2.

Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt mede verstaan:

  • a.
    het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
  • b.
    het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

Artikel 5.1.2.a. Te koop aanbieden van voertuigen

1.

Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

2.

Het college kan van het in het eerste lid van dit artikel bedoelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.1.3. Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5.1.4. Voertuigwrakken

(vervallen)

Artikel 5.1.5. Kampeermiddelen e.d.

1.

Het is verboden een kampeerwagen, woonwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:

  • a.
    langer dan op drie achtereenvolgende dagen te parkeren, te plaatsen of te hebben op de weg;
  • b.
    op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

3.

Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening Limburg.

Artikel 5.1.6. Parkeren van reclamevoertuigen

1.

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

2.

Het college kan van het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.1.7. Parkeren van grote voertuigen

1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats, waar dit naar het oordeel van het college schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. [zie uitvoeringsbesluit 14.4.2012 parkeerverbod vrachtauto’s kern Geulle].

2.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar het oordeel van het college buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

3.

Het in het tweede lid van dit artikel gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

4.

Het college kan van de verboden als bedoeld in lid 2 en lid 3 ontheffing verlenen.

Artikel 5.1.8. Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen

1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

2.

Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5.1.9. Parkeren van voertuigen met stank verspreidende stoffen

1.

Het is verboden een voertuig met stank verspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

2.

Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5.1.10. Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

1.

Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook (niet zijnde een reguliere berm), of het daarin te doen of te laten staan.

2.

Dit verbod is niet van toepassing:

  • a.
    op de weg;
  • b.
    op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;
  • c.
    op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.
3.

Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5.1.11. Overlast van fiets of bromfiets

1.

Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

2.

Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

Artikel 5.1.12 Gebruik parkeerplaatsen anders dan hun bestemming.

1.

Het is verboden op wegen of weggedeelten, welke door het college als parkeerplaats zijn aangewezen en bij openbare kennisgeving bekend zijn gemaakt, te handelen in strijd met de in deze kennisgeving vermelde, door het college van burgemeester en wethouders gestelde voorschriften omtrent het gebruik van die plaatsen.

2.

Het college kan van het in het eerste lid van dit artikel gesteld verbod ontheffing verlenen.

Afdeling 2. Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten

Artikel 5.2.1. Inzameling van geld of goed

1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

2.

Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

3.

Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

4.

Het college kan onder door hen te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.

Artikel 5.2.2. Venten e.d.

Artikel 5.2.2.1. Begripsbepaling

1.

In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

2.

Onder venten wordt niet verstaan:

  • a.
    het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
  • b.
    het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5.2.4;
  • c.
    het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3.

Artikel 5.2.2.2. Ventverbod

1.

Het is verboden te venten:

  • a.
    op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen;
  • b.
    op door het college aangewezen dagen en uren.
2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

3.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

4.

Het verbod bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

Artikel 5.2.3. Standplaatsen: uitstallingen op de weg

1.

Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere – al dan niet met enige beperking – voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:

  • a.
    met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden;
  • b.
    anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.
2.

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

3.

Het in het eerste lid, onder b van dit artikel, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Alsdan geldt ook het in het tweede lid van dit artikel gestelde verbod niet.

4.

De in het eerste en tweede lid van dit artikel gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt voor een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1. van deze verordening, of voor het organiseren van een markt als bedoeld in artikel 5.2.4. van deze verordening.

5.

Een vergunning bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan worden geweigerd:

  • a.
    in het belang van de openbare orde;
  • b.
    in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
  • c.
    indien de standplaats hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand;
  • d.
    in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;
  • e.
    wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;
  • f.
    vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.
6.
  • a.
    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Limburg.
  • b.
    De weigeringsgrond van het vijfde lid onder b geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
  • c.
    De weigeringsgrond van het vijfde lid onder c, geldt niet voor bouwwerken.
7.

Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1. van de Wet milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het vijfde lid van dit artikel, tot de dag waarop de beslissing over de Wet milieuvergunningaanvraag is genomen.

Artikel 5.2.4. Snuffelmarkten e.d.

Artikel 5.2.4.1 Begripsbepaling

1.

In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.

2.

Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:

  • a.
    een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
  • b.
    een evenement als bedoeld in artikel 2.2.2.

Artikel 5.2.4.2. Organiseren van een snuffelmarkt

1.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.

2.

Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

3.

De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

Afdeling 3. Openbaar water

Artikel 5.3.1. Gebruik van openbaar water

(vervallen)

Artikel 5.3.2. Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

(vervallen)

Artikel 5.3.3. Aanwijzingen ligplaats

(vervallen)

Artikel 5.3.4. Verbod innemen ligplaats

(vervallen)

Artikel 5.3.5. Beschadigen van waterstaatswerken en oevers

(vervallen)

Artikel 5.3.6. Reddingsmiddelen

(vervallen)

Artikel 5.3.7. Veiligheid op het water

(vervallen)

Artikel 5.3.8. Overlast aan vaartuigen

(vervallen)

Afdeling 4. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5.4.1. Crossterreinen

1.

Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2.

Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

  • a.
    in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
  • b.
    in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;
  • c.
    in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek.
3.

Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

4.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidsproductie sportmotoren.

Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden

1.

Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij verklaren, dat het rijden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden.

2.

Het is verboden op krachtens het eerste lid van dit artikel aangewezen plaatsen:

  • a.
    zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel
  • b.
    zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip.
3.

Het in het tweede lid van dit artikel gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

  • a.
    ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van verkeer en waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;
  • b.
    die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen;
  • c.
    die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
  • d.
    van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen;
  • e.
    voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d van dit lid bedoelde personen.
4.

Het in het tweede lid van dit artikel gestelde verbod geldt voorts niet:

  • a.
    op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
  • b.
    binnen de bij of krachtens de Provinciale Omgevingsverordening Limburg aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.
5.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Afdeling 5. Verbod vuur te stoken

Artikel 5.5.1. Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

(vervallen)

Afdeling 6. Verstrooiing van as

Artikel 5.6.1. Begripsomschrijving

(Vervallen)

Artikel 5.6.2. Verboden plaatsen

(Vervallen)

Artikel 5.6.3. Hinder of overlast

(Vervallen)

Afdeling 7. Spelen om geld.

Artikel 5.7.1. Spelen om geld

1.

Het is verboden op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats bedrijfsmatig gelegenheid te geven tot beoefenen van enig spel, waarbij geld of tegen geld inwisselbare voorwerpen worden gebezigd.

2.

De Burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod.

3.

De gevraagde ontheffing wordt in ieder geval geweigerd, indien vaststaat of met reden is te vrezen dat de openbare orde in de omgeving van de plaats waar van de ontheffing gebruik zal worden gemaakt, zal worden verstoord dan wel anderszins in ernstige mate afbreuk zal worden gedaan aan het leefmilieu van de omgeving of het woongenot ter plaatse in ernstige mate zal worden belemmerd.

4.

Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet op de kansspelen van toepassing is.

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1. Strafbepaling

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt, voor zover daartegen niet bij of krachtens een hogere regeling straf is bedreigd, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak, voor zover daarentegen niet bij of krachtens een hogere regeling straf is bedreigd.

Artikel 6.2. Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college of de Burgemeester aangewezen personen.

Artikel 6.3. Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6.3.a. Binnentreden woningen in noodsituaties

Zij die belast zijn met de zorg voor de nakoming van een voorschrift van een door de burgemeester op grond van artikel 176 van de Gemeentewet vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6.4. Inwerkingtreding

1.

Deze verordening treedt in werking 8 dagen na de dag waarop deze is bekend gemaakt.

2.

Op dat tijdstip wordt de ‘Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Meerssen 2007 inclusief de nadien vastgestelde wijzigingen ingetrokken.

Artikel 6.5. Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6.6. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel ‘Algemene Plaatselijke Verordening 2015’

Vastgesteld in de openbare vergadering van 2 juli 2015 van de gemeenteraad van Meerssen.
De Voorzitter,
De Griffier,

UITVOERINGSBESLUITEN DIE VASTGESTELD ZIJN DOOR HET COLLEGE

a. Bijlage bij artikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stofen op, aan of boven de weg.

  • 1.
    Het verbod zoals bedoeld in artikel 2.1.5.1, lid 1 geldt niet voor de navolgende situatie.
    • a.
      vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
    • b.
      zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover:
      • elk onderdeel zich hoger dan 2.20 meter boven dat gedeelte bevindt, en
      • elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat zich op meer dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en
      • elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1.5 meter buiten de opgaande gevel reikt;
    • c.
      de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg hiervan gereinigd is;
    • d.
      voertuigen;
    • e.
      voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;
    • f.
      evenementen als bedoeld in artikel 2.2.2;
    • g.
      terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.1;
    • h.
      standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3 van deze verordening;
    • j.
      containers op de rijweg, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
      • bij het invallen van de duisternis dient de container aan beide zijden van de straatkant te zijn verlicht door middel van knipperende obstakellampen;
      • in de container mogen geen stoffen worden gedeponeerd die schadelijk kunnen zijn of overlast kunnen veroorzaken.
      • de minimale doorgang op de rijweg van 3,50 meter breed dient gewaarborgd te blijven;
      • de openbare weg dient na gebruik terug te worden gebracht in de staat waarin deze zich op het moment van plaatsing bevond;
      • de container mag alleen voor het eigen perceel worden geplaatst en mag geen belemmering vormen voor de gebruikers van de naastgelegen percelen;
      • het verkeer dient zo weinig mogelijk hinder te ondervinden;
      • de container mag niet langer worden geplaatst dan strikt noodzakelijk.
    • k.
      steigers op het voor voetgangers bestemde deel van weg, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
      • voetgangers dienen te worden beschermd tegen afvallende materialen en/of voorwerpen;
      • indien een voetgangersdoorloop van 1.00 meter breed niet gewaarborgd kan worden, dient er een voetgangersonderdoorgang gerealiseerd te worden;
      • in de kernwinkelgebieden moet de minimale vrije doorgang 3.50 meter breed zijn voor de toegankelijkheid van hulpverleningsdiensten;
      • het verkeer dient zo min mogelijk hinder te ondervinden;
      • de steiger mag niet op de rijbaan staan en ook niet over de rijbaan uitsteken;
      • de steiger dient te voldoen aan de wettelijk voorgeschreven regels met betrekking tot de veiligheids-, milieu-, en bouwtechnische eisen;
      • bij het invallen van de duisternis dient te steiger voor voetgangers duidelijk verlicht te zijn d.m.v. knipperlampen en/of andere verlichting;
      • een rolsteiger dient fysiek beveiligd te zijn tegen onbevoegd verplaatsen door derden;
      • er dienen zodanige maatregelen te worden getroffen dat het niet mogelijk is om aangrenzende percelen/gebouwen binnen te dringen via de steiger;
      • bij het storten vanaf verdiepingen dient een stortkoker gebruikt te worden. De stortbak aan het eind van de stortkoker dient te worden afgedekt, zodat geen overlast of schade aan derden wordt toegebracht;
      • de steiger mag nooit langer dan strikt noodzakelijk worden geplaatst.
    • l.
      Hijskranen en hoogwerkers op de rijbaan of op het voor voetgangers bestemde deel van de weg, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
      • er dienen afdoende maatregelen te worden genomen voor de veiligheid van voetgangers, fietsers en het overige verkeer;
      • bij afzetting van het trottoir dienen de borden ‘voetgangers oversteken’ te worden geplaatst;
      • indien de hoogwerker c.q. hijskraan op de openbare weg wordt geplaatst, dan dient een halve wegafzetting te worden gerealiseerd conform de richtlijnen van het CROW-publicatie 96B;
      • alle verkeersmaatregelen dienen te voldoen aan de richtlijnen van het CROW-publicatie 96B;
      • om beschadiging van het wegdek te voorkomen dienen passende maatregelen te worden getroffen;
      • na uitvoering van de werkzaamheden dient de openbare weg te worden teruggebracht in de staat waarin hij zich bij ingebruikname bevond;
      • eventuele beschadigingen dienen binnen een week te worden hersteld;
      • het verkeer dient zo min mogelijk hinder te ondervinden; er mag geen gehele wegafsluiting plaatsvinden;
      • de hijskraan of hoogwerker mag nooit langer dan strikt noodzakelijk worden geplaatst.
    • m.
      voorwerpen en/of reclameborden ten behoeve van commerciële doeleinden, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
      • er dient een vrije doorgang van minimaal 1,20 meter voor de (minder valide) voetgangers aanwezig te zijn;
      • de veiligheid van het overige verkeer mag in niet in gevaar komen;
      • de voorwerpen en reclameborden mogen alleen op het trottoir worden geplaatst voor of in de directe nabij de voorgevel van de zaak;
      • bij afwezigheid van een trottoir en aanwezigheid van een rabatstrook mogen de voorwerpen en reclameborden op de rabatstrook worden geplaatst voor of in de directe nabij de voorgevel van de zaak;
      • maximaal 1 reclamebord per zaak.
  • 2.
    Het is verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien:
    • a.
      deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg;
    • b.
      gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg of;
    • c.
      een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
  • 3.
    Voor de toepassing van het tweede lid, onder c van dit artikel, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
  • 4.
    Een vergunning bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan worden geweigerd:
    • a.
      indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
    • b.
      indien het beoogde gebruik hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
    • c.
      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
  • 5.
    Het verbod in het eerste lid geldt niet:
    • a.
      voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, of de Wegenverordening Limburg.
    • b.
      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
    • c.
      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken.
    • d.
      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

b. Besluit tot het aanwijzen van evenementen waarvoor geen vergunning is vereist op grond van art. 2.2.2, lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Meerssen, zoals laatstelijk gewijzigd;

gelezen de Notitie (de)regulering evenementenbeleid Meerssen 2010;

gelet op artikel 2.2.2, lid 3 van Algemene Plaatselijke Verordening Meerssen,

besluit:

  • A.
    Vast te stellen dat voor evenementen als bedoeld in artikel 2.2.2. van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Meerssen geen vergunning is vereist op grond van artikel 2.2.2, lid 1, indien deze evenementen te rangschikken zijn onder de volgende vrijstellingscriteria:
    • 1.
      Er zijn niet meer dan 250 deelnemers aanwezig bij het evenement.
    • 2.
      Het is niet een evenement dat zich richt op zeer specifieke, risicovolle groepen, waarvan algemeen bekend is dat er verhoogd risico is op gebruik van riskante middelen (drugs).
    • 3.
      De geluidsproductie is niet hoger dan 105 dB(A) bronvermogen.
    • 4.
      De openbare weg wordt over niet meer dan 500 meter gebruikt. Deze limiet mag worden overschreden ten behoeve van fiets- en toertochten zonder wedstrijdelement, sponsorlopen en optochten.
    • 5.
      Er wordt geen vechtsport in wedstrijdverband bedreven.
    • 6.
      Er wordt geen gebruik gemaakt van gemotoriseerde voertuigen of modelvoertuigen, gemotoriseerde vaartuigen of modelvaartuigen, gemotoriseerde vliegtuigen of modelvliegtuigen in de buitenlucht en de Wet milieubeheer is niet van toepassing daarop.
    • 7.
      Er is geen sprake van het gebruik van wapens (hieronder vallen alle soorten wapen: vuurwapens, boogschieten, steekwapens etc.), het werpen van ontvlambare of explosieve voorwerpen in de buitenlucht of van het schieten met wapens met luchtdruk of gasdruk op een openterrein en de Wet milieubeheer is niet van toepassing daarop.
  • B.
    Te bepalen dat, degene die een evenement organiseert waarvoor geen evenementenvergunning is vereist op grond van bovenstaande criteria, verplicht is dit evenement uiterlijk 20 weken tevoren te melden bij de gemeente, (meldpunt) met gebruikmaking van het daarvoor vastgestelde meldingsformulier en te laten plaatsen op de evenementenkalender.

c. Aanwijzingsbesluit speelterreinen en natuurgebieden conform artikel 2.4.17

Betreft: op basis van artikel 2.4.17 APV en de vastgestelde Nota hondenbeleid heeft het college van Burgemeester en Wethouders vastgesteld:

  • de losloopterreinen voor honden;
  • de speelterreinen waarop honden niet zijn toegestaan;
  • de natuurgebieden waar een aanlijngebod voor honden geldt.

Bij de terreinen zullen informatieborden worden geplaatst.

Folder: de besluiten zijn opgenomen in de Folder Hondenbeleid van de gemeente Meerssen. Deze vindt u op www.meerssen.nl . Heeft u geen internet? Een papieren versie is verkrijgbaar bij de centrale receptiebalie in de hal van het bestuurscentrum.

In werking: 1 mei 2014.

Vastgesteld: 1 april 2014

d. Uitvoeringsbesluit bestrijding parkeerexcessen Geulle

Burgemeester en wethouders van Meerssen,

Overwegende,

Dat het naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente en tevens buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte, wanneer voertuigen met een lengte (met inbegrip van lading) van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter in of nabij woonwijken, langs verkeersaders of langs wegen buiten de bebouwde kom worden geparkeerd.

Gelet op artikel 5.1.7 van de Algemene Plaatselijke Verordening

BESLUITEN:

  • 1.
    Het parkeren van voertuigen, die met inbegrip van de lading, een lengte hebben van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te verbieden op zaterdagen, zon- en feestdagen gedurende de gehele dag en op werkdagen tussen 18.00 en 08.00uur, op alle wegen binnen de dorpskern Geulle, met uitzondering van de volgende locatie:
    • Parkeerterrein Andreas Sauerlaan
  • 2.
    Dit besluit met ingang van 1 april 2012 in werking te laten treden.

Vastgesteld d.d. 7 februari 2012.

e. Uitvoeringsbesluit Buitengebied en reclame 22 april 2010

Artikel 1. Definiëring Buitengebied gemeente Meerssen

Onder het buitengebied worden die gebieden van de gemeente Meerssen verstaan welke:

  • 1.
    onder het vigerende bestemmingsplan Buitengebied vallen:
  • 2.
    met de bestemmingen agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden’ en ‘natuurgebied’ of daarmee vergelijkbare bestemmingen zijn bestemd in alle overige vigerende bestemmingsplannen van de Gemeente Meerssen.

Artikel 2 Algemeen verbod reclame-uitingen in het buitengebied

  • 1.
    Voor de gebieden die in vigerende bestemmingsplannen bestemd zijn als ‘agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarde’ en ‘natuurgebied’ of daarmee vergelijkbare bestemmingen, geldt een algemeen verbod op reclame-uitingen.
  • 2.
    Ter zake van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel worden geen ontheffingen verleend.

Artikel 3. Toegestane reclame-uitingen in het buitengebied als bedoeld in artikel 1 van dit uitvoeringsbesluit

Reclame-uitingen in het buitengebied, als bedoeld in artikel 1 van dit uitvoeringsbesluit, zijn, met in achtneming van het gestelde in artikel 2 van dit uitvoeringsbesluit, vergunningsvrij toegestaan indien de reclame-uiting:

  • 1.
    is aangebracht op een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer;
  • 2.
    aan of bij een onroerende zaak geplaatst wordt, waarbij deze te koop, te huur of in pacht wordt aangeboden, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft;
  • 3.
    is geplaatst op een terrein waar een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling wordt gehouden, welke niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft en voor zover zij niet eerder dan twee weken daaraan voorafgaand is geplaatst;
  • 4.
    van tijdelijke aard is, voor de verkoop van seizoensgebonden agrarische producten ter plaatse waar deze worden gekweekt;
  • 5.
    betrekking heeft op een werk in uitvoering, mits zij onmiddellijk bij het werk is geplaatst en niet langer aanwezig is dan de uitvoering van dit werk duurt;
  • 6.
    is aangebracht op borden, die voldoen aan de door de gemeente Meerssen gestelde regels ten aanzien van de bewegwijzering;
  • 7.
    plaatsvindt op borden die niet worden verlicht dan wel maximaal tot 23.00 uur worden verlicht;
  • 8.
    betrekking heeft op het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet;
  • 9.
    op borden staat ten behoeve van een bedrijf indien deze niet op het bedrijfsperceel worden geplaatst en indien voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a.
      het bedrijf kan geen gebruik maken van bebording in het kader van de provinciale circulaire ‘Richtlijnen Uitvoering Toeristische Bewegwijzering’;
    • b.
      per bedrijf mogen maximaal twee borden worden geplaatst;
    • c.
      borden mogen uitsluitend verwijzen naar het bedrijf dan wel producten van het bedrijf;
    • d.
      borden mogen uitsluitend worden geplaatst binnen een straal van 500 meter van de grens van het bedrijfsperceel zoals is vastgelegd in het bestemmingsplan;
    • e.
      borden mogen niet in de bestemming ‘agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden’, ‘natuurgebied’ of daarmee vergelijkbare bestemmingen in het bestemmingsplan worden geplaatst;
    • f.
      borden mogen niet groter zijn dan 1 vierkante meter;
    • g.
      borden mogen tussen 23.00 uur en 07.00 uur niet worden verlicht;
    • h.
      het bedrijfsperceel moet gelegen zijn in het in artikel 1 van dit uitvoeringsbesluit bedoelde buitengebied;
  • 10.
    op maximaal één bord van ten hoogste 1 vierkante meter bij de oprit van een bedrijf geplaatst wordt indien en voor zover de oprit geen deel uitmaakt van het bedrijfsperceel.

Artikel 4 Strafbepalingen

Overtreding van het bij deze uitvoeringsregeling bepaalde wordt, voor zover daartegen niet bij of krachtens een hogere regeling straf is bedreigd, bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden bestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak, voor zover daartegen niet bij of krachtens een hogere regeling straf is bedreigd.

Artikel 5 Inwerkingtreding

Dit uitvoeringsbesluit treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 6 Citeerartikel

Dit besluit kan worden aangehaald als ‘Uitvoeringsbesluit Buitengebied en reclame-uitingen gemeente Meerssen 2010’.

Aldus vastgesteld op 22 april 2010.

f. Aanwijzingsbesluit Toezichthouders o.g.v. artikel 6.2. APV

Besluit:

  • a.
    de eerdere aanwijzingsbesluiten in te trekken;
  • b.
    aan te wijzen als ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening en de Wegenverkeerswet en voor wat betreft de buitengewoon opsporingsambtenaren belast met opsporingstaken voortvloeiend uit de Algemene Plaatselijke Verordening, de navolgende ambtenaren:
    • buitengewoon opsporingsambtenaar J.H.R. Schmetz;
    • buitengewoon opsporingsambtenaar M.J.M. Schopen;
    • buitengewoon opsporingsambtenaar C.J.W. Borgignons;
    • gemeentelijke toezichthouder M.J.M. Huijnen;
    • opzichter M.J.D. Lemmens;
    • opzichter A. Timmers;
    • opzichter J.A.P.M. Trynes
    • ambtenaar openbare veiligheid J.M.W.F. D'Elfant
    • coördinator vergunningen C. Poolen

Vastgesteld 6 juni 2012.